Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-10
ECLI:NL:CRVB:2024:1226
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,038 tokens
Inleiding
23/637 WMO15-PV, 23/639 PW-PV, 23/641 PW-PV, 23/642 PW-PV, 24/1418 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 3 januari 2023,
21/1092 (aangevallen uitspraak 1; zaaknummer CRvB 23/637);
21/1094 (aangevallen uitspraak 2; zaaknummer CRvB 23/639);
21/1443 (aangevallen uitspraak 3; zaaknummer CRvB 23/641);
22/5 (aangevallen uitspraak 4; zaaknummer CRvB 23/642)
en op het beroep tegen het besluit van 5 juni 2024 (zaaknummer CRvB 24/1418 PW-PV)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)
Datum uitspraak: 10 juni 2024
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Griffier: L.C. van Bentum
Ter zitting zijn verschenen: appellant en namens het college mr. I.T. te Brinke
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
verklaart het hoger beroep in de zaak 23/637 niet-ontvankelijk;
vernietigt aangevallen uitspraak 2 (zaak 23/639);
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 23 juni 2021 gegrond;
vernietigt het besluit van 23 juni 2021;
verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juni 2024 (zaak 24/1418) ongegrond;
verklaart het hoger beroep in de zaak 23/641 niet-ontvankelijk;
bevestigt de aangevallen uitspraak 4 (zaak 23/642).
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
23637 WMO15
1. Het college heeft aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) – in opeenvolgende besluiten – voor de periode van 19 oktober 2020 tot en met 17 oktober 2021 een maatwerkvoorziening ondersteuning bij praktische taken en bij het voeren van de regie verstrekt, met een omvang van maximaal 208 uur in de vorm van zorg in natura.
2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 27 november 2019 en 7 juli 2020 gegrond te verklaren, omdat het college deze besluiten niet in het bestreden besluit had betrokken. Ook heeft de rechtbank aan appellant een kostenvergoeding toegekend, te betalen aan de toenmalige gemachtigde van appellant. De rechtbank heeft de bezwaren tegen de besluiten van 23 en 29 oktober 2020 ongegrond verklaard. Bij dat laatste oordeel heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant de maatwerkvoorziening die in de besluiten van 23 en 29 oktober 2020 aan hem is verstrekt niet inhoudelijk heeft bestreden.
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank.
4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
4.2.
Geschil
4.3.
Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellant nog procesbelang heeft.
5. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten en krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
23639 PW en 24/1418 PW
6. In deze zaak gaat het om vijf afgewezen aanvragen om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) en twee besluiten tot terugvordering van ten onrechte verleende voorschotten op de bijstand. Het college heeft in een besluit van 23 juni 2021 beslist op de door appellant tegen deze zeven besluiten ingediende bezwaren.
7. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 juni 2021 ongegrond verklaard.
8. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het college bij brief van 30 mei 2024 meegedeeld dat het, onder meer naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 9 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:455, het besluit van 23 juni 2021 intrekt en een nieuwe beslissing op de bezwaren zal nemen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het besluit van 23 juni 2021 niet in stand kunnen blijven. Nu alleen al om deze reden het besluit van 23 juni 2021 geen stand kan houden, kunnen de beroepsgronden van appellant over schending van de artikelen 7:10 en 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onbesproken blijven.
Het besluit van 5 juni 2024
9. Het college heeft bij besluit van 5 juni 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het college heeft de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 10 februari 2020, 7 en 22 april 2020 en 2 juni 2020 alsnog gegrond verklaard, het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2020 gedeeltelijk gegrond verklaard en aan appellant bijstand toegekend, inclusief vakantiegeld, met ingang van 11 maart 2020 tot en met 30 juni 2020. In verband met het achteraf alsnog toekennen van bijstand heeft het college appellant wettelijke rente toegekend.
10. Appellant kan zich niet vinden in het besluit van 5 juni 2024.
11. Het besluit van 5 juni 2024 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.
11.1.
Aan het besluit van 5 juni 2024 liggen, anders dan appellant verondersteld, geen andere gedingstukken ten grondslag dan die zich al in het dossier bevinden.
11.2.
Door de al eerder genoemde uitspraak van de Raad van 9 maart 2023, het hieronder genoemde besluit van 23 december 2020 en het besluit van het college van 5 juni 2024 heeft appellant doorlopend bijstandsuitkering gehad vanaf 1 april 2018 tot 15 november 2021, met uitzondering van de periode van 31 januari 2020 tot en met 10 maart 2020 omdat appellant toen in detentie verbleef. De bijstand is op verzoek van appellant beëindigd omdat hij werk had aanvaard. Ter zitting heeft het college verklaard dat de gegrondverklaring van de bezwaren zich ook uitstrekt tot de bezwaren tegen de besluiten tot terugvordering van bijstand van 12 februari 2020 en van 27 mei 2020. Ter zitting is besproken dat dit niet nog zal leiden tot een nabetaling omdat deze terugvorderingen al eerder zijn verrekend. Appellant krijgt dus geen achterstallige bijstand meer over de periode van 1 april 2018 tot 15 november 2021.
11.3.
De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat hem in de periode van 31 januari 2020 tot en met 10 maart 2020 ten onrechte bijstand is onthouden omdat zijn detentie is omgezet in een taakstraf. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW heeft degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht op bijstand. Deze bepaling is ook van toepassing als de aanvrager zich in voorlopige hechtenis bevindt. De rechter-commissaris en de raadkamer gevangenhouding hebben kennelijk geoordeeld dat er voldoende ernstige bezwaren en gronden waren om appellant in voorlopige hechtenis te houden. Uit het feit dat in de strafzaak in hoger beroep volgens appellant uiteindelijk een taakstraf is opgelegd vloeit niet voort dat die voorlopige hechtenis onrechtmatig was, voor zover dit overigens voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW al van belang zou zijn. Dit betekent dat het college terecht geen bijstand heeft verstrekt over deze periode.
11.4.
Evenmin volgt de Raad appellant in zijn standpunt dat onduidelijk is welke rente is verwerkt bij de nabetaling(en) van zijn bijstand. Uit het besluit van 5 juni 2024 en de daarbij behorende bijlage en de brief van het college van 30 mei 2024 volgt dat de wettelijke rente is voldaan over de volledige nabetaling. Fouten van een toenmalig gemachtigde van appellant komen voor risico van appellant.
11.5.
Appellant heeft het college herhaaldelijk in gebreke gesteld voor te laat beslissen op zijn aanvragen of op zijn bezwaren tegen genomen besluiten op zijn aanvragen. Het college heeft appellant diverse malen een dwangsom toegekend. Volgens het college zijn alle ingebrekestellingen afgehandeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat in deze zaak niet is gebleken dat het college meer of hogere dwangsommen wegens niet tijdig beslissen aan appellant had moeten toekennen. Ter zitting heeft het college gesteld dat er mogelijk nog één ingebrekestelling resteert waarop nog niet is besloten. De Raad vertrouwt erop dat het college zijn toezegging ter zitting gestand zal doen en dit zo spoedig zal nakijken en als er nog een niet-afgehandelde ingebrekestelling resteert, hierover een besluit zal nemen. Appellant noch het college heeft ter zitting kunnen aangeven op welke ingebrekestelling mogelijk nog niet zou zijn beslist. Onder die omstandigheden ligt hier voor de Raad geen taak.
11.6.
Het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van schade heeft appellant ter zitting ingetrokken.
11.7.
Wat appellant heeft aangevoerd tegen het nadere besluit van 5 juni 2024 slaagt niet.
11.8.
Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Appellant krijgt wel het betaalde griffierecht terug.
23641 PW
12. In deze zaak gaat het om twee besluiten op bezwaar van 11 augustus 2021. In het eerste bestreden besluit van 11 augustus 2021 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2020 – waarbij het college aan appellant bijstand heeft toegekend met ingang van 1 juli 2020 naar de norm voor een alleenstaande en met toepassing van de kostendelersnorm – niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant het bezwaar te laat heeft ingediend en er geen redenen zijn om aan te nemen dat deze termijnoverschrijding appellant niet kan worden verweten. In het tweede bestreden besluit van 11 augustus 2021 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2021 – inhoudende opschorting van het recht op bijstand vanaf 11 februari 2021 – en het besluit van 4 maart 2021 – inhoudende het ongewijzigd voortzetten van het recht op bijstand – niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van deze bezwaren.
13. De rechtbank heeft het ingestelde beroep tegen de bestreden besluiten van 11 augustus 2021 ongegrond verklaard.
14. Appellant heeft achteraf bezien materieel geen last gehad van het besluit tot opschorting van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand in het besluit op bezwaar ongewijzigd is voortgezet. Omdat appellant, zoals de Raad in 11.2 heeft overwogen, doorlopend bijstand heeft gehad vanaf 1 april 2018 tot 15 november 2021, met uitzondering van de periode van 31 januari 2020 tot en met 10 maart 2020, valt niet in te zien wat hij nog kan bereiken met een inhoudelijk oordeel over de besluiten van 11 augustus 2021. Het verzoek om schadevergoeding dat appellant in hoger beroep had gedaan, heeft hij op de zitting ingetrokken, zodat ook hieraan geen procesbelang kan worden ontleend.
15.