Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-19
ECLI:NL:CRVB:2024:1177
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,789 tokens
Inleiding
23/2585 WW
Datum uitspraak:19 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2023, 22/4341 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een faillissementsuitkering toe te kennen, omdat de door appellante geclaimde overuren op grond van artikel 64, eerste lid, onder a, ten vierde van de WW niet in aanmerking komen voor overname. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de in artikel 64, eerste lid van de WW opgenomen termijn van 13 weken een discriminerende uitwerking heeft voor vrouwen.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. I.C. Holtkamp, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 mei 2024. Namens appellante is mr. Holtkamp verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Appellante is op 1 juli 2019 in dienst getreden bij [ex-Werkgeefster stichting]
(ex-werkgeefster) als woonbegeleidster. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Gehandicaptenzorg van toepassing. Na opzegging door appellante per 31 augustus 2021, met in achtneming van de opzegtermijn, is de arbeidsovereenkomst beëindigd per 31 oktober 2021. Het loon van appellante is betaald tot en met oktober 2021. Aansluitend is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet.
1.2.
Op 18 januari 2022 is de ex-werkgeefster in staat van faillissement verklaard.
1.3.
Op 21 maart 2022 heeft het Uwv een aanvraag van appellante ontvangen om met toepassing van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) de betalingsverplichtingen van ex-werkgeefster over te nemen wegens betalingsonmacht (faillissementsuitkering).
1.4.
Bij besluit van 1 april 2022 heeft het Uwv appellante geweigerd een faillissementsuitkering toe te kennen, omdat haar dienstverband is geëindigd op 31 oktober 2021 en haar ex-werkgeefster pas later in financiële problemen is geraakt. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 april 2022, omdat zij het niet eens is met de weigering van het overnemen van de vergoeding voor de gewerkte overuren.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 20 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 april 2022 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante de dienstbetrekking bij de Stichting heeft opgezegd op 31 augustus 2021. De voor die datum liggende periode van dertien weken eindigt op 1 juni 2021. Tussen partijen is niet in geschil dat de door appellante geclaimde overuren vóór 1 juni 2021 en dus buiten de periode van dertien weken voorafgaande aan de opzegging van het dienstverband zijn gemaakt. Nu de door appellante geclaimde overuren op grond van artikel 64, eerste lid, onder a, ten vierde van de WW niet in aanmerking komen voor overname van betaling, hoeven de argumenten die appellante tegen de andere in het bestreden besluit genoemde gronden van afwijzing in deze uitspraak niet besproken te worden.
Het standpunt van appellante
3.1
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat artikel 64, eerste lid, onder a van de WW niet verenigbaar is met het non-discriminatiebeginsel omdat deze bepaling een discriminerende uitwerking heeft op de specifieke situatie van werkende jonge vrouwen. In dit artikel wordt geen enkele ruimte geboden voor deze vrouwen om binnen de geldende termijn van 13 weken aanspraak te maken op uitbetaling van de door hen opgespaarde overuren. De geldende termijn van 13 weken is daarvoor te kort. Appellante heeft daarbij erop gewezen dat werkende vrouwen juist overuren opsparen om de grote (school)vakantie van 6 weken te kunnen overbruggen.Appellante verzoekt de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en te bepalen dat het Uwv alsnog het loon van appellante over 46 uur c.q. over minimaal 33 uren overneemt en uitbetaalt, met veroordeling van het Uwv in de kosten van deze procedure.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Beoordeling
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de door appellante geclaimde overuren vóór de periode van dertien weken voorafgaande aan de opzegging van het dienstverband zijn gemaakt. Dat betekent dat appellante reeds op grond van artikel 64, eerste lid, onder a, ten vierde van de WW niet in aanmerking komt voor overname van betaling van de geclaimde overuren. Appellante heeft ook niet bestreden dat zij niet aan de vereisten van artikel 64, eerste lid van de WW voldoet. Evenmin is tussen partijen in geschil dat het Uwv de regeling van hoofdstuk IV op een juiste manier heeft toegepast.
4.3.
In hoger beroep is daarom uitsluitend nog aan de orde of de toepassing van artikel 64, eerste lid, onder a van de WW leidt tot ongeoorloofde discriminatie tussen mannen en vrouwen. De Raad volgt appellante hierin niet. De regeling van artikel 64 van de WW geldt voor iedere werknemer en maakt geen onderscheid naar geslacht. De stelling dat door toepassing van dit artikel vrouwen feitelijk worden benadeeld ten opzichte van mannen en er een verschil in rechtspositie tussen mannen en vrouwen ontstaat voor het in aanmerking komen voor een faillissementsuitkering heeft appellante niet onderbouwd. De ervaringen uit het verleden van de rechtshulpverlener en haar persoonlijke indrukken zijn daartoe onvoldoende. In welk opzicht appellante anders zou worden behandeld is evenmin duidelijk gemaakt.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de faillissementsuitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) S.P.A. Elzer
Bijlage
Werkloosheidswet
Hoofdstuk IV Overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever te betalen
Artikel 61. Recht op uitkering in geval van betalingsonmacht werkgever Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.
Artikel 62. Uitzondering recht op uitkering1. Geen recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk heeft de werknemer, wiens dienstbetrekking met de werkgever reeds was geëindigd voordat de werkgever kwam te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, tenzij:a. een duidelijke samenhang bestaat tussen de omstandigheden die tot het eindigen van de dienstbetrekking leidden en de omstandigheden, die tot die toestand hebben geleid; ofb. de werknemer een recht heeft op betaling van loon, vakantiegeld, vakantiebijslag of andere bedragen als bedoeld in artikel 61, dat geen verband houdt met een toestand als bedoeld in artikel 61 en dat niet geldend kan worden gemaakt uitsluitend wegens die toestand.(…)
Artikel 64. Omvang recht op uitkering 1. Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk wordt per kalendermaand berekend en omvat:a. het loon over ten hoogste dertien weken, onmiddellijk voorafgaande aan:1°. de dag waarop de dienstbetrekking door ontbinding eindigt;2°. de dag waarop de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden eindigt;3°. de dag waarop de dienstbetrekking van rechtswege eindigt, of4°. de dag van opzegging van de dienstbetrekking;b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van het tweede lid door het UWV vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden; enc. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel a, onder 1°, 2°, 3° of de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt.2. Ten aanzien van het eerste lid, onderdeel a, geldt dat het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk het loon omvat over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het UWV redelijkerwijs had moeten worden beëindigd of opgezegd, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is beëindigd of opgezegd.3. De hoogte van de uitkering van het vakantiegeld, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt berekend op grond van de aanspraak op vakantiedagen die de werknemer bij het einde van de dienstbetrekking heeft, met dien verstande dat de uitkering niet meer bedraagt dan het vakantiegeld over het aantal vakantiedagen dat hij kan verwerven in een jaar waarin hij een dienstbetrekking met de werkgever, bedoeld in artikel 61, heeft en waarin hij gedurende de volledig overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft.