Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-24
ECLI:NL:CRVB:2024:1175
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
713 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 24 mei 2024
23/485 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2022, 21/4209 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
In de uitspraak van 24 oktober 2023 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het na afloop van de termijn is ingediend.
Appellant heeft verzet ingediend.
Het verzet is behandeld op de zitting van 12 april 2024. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Appellant erkent dat hij te laat hoger beroep heeft ingesteld. Hij verzoekt het beroep alsnog in behandeling te nemen omdat hij het recht van verweer heeft. Er is hem onrecht aangedaan en hij heeft recht op een juiste onpartijdige beslissing.
Als een beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend blijft nietontvankelijkverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dat staat in artikel 6:11 van de Awb, dat ook in hoger beroep van toepassing is. Het gaat daarbij om de vraag of het niet tijdig indienen van het beroepschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid. Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen moeten alle omstandigheden van het geval in hun samenhang worden bezien.
De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Het griffierecht zal aan appellant worden teruggestort.
De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellant te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat het betaalde griffierecht van € 136,- door de griffier van de Raad aan appellant wordt terugbetaald.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2024.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) S.C. Scholten