Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-06-05
ECLI:NL:CRVB:2024:1099
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,083 tokens
Inleiding
23/1477 WIA-VV
Datum uitspraak: 5 juni 2024
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108, in verbinding met artikel 8:84, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens verzoeker heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 december 2022, 21/1181. In die uitspraak gaat het om de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering van verzoeker per 1 april 2023.
Namens verzoeker heeft mr. Hilkens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 juni 2023. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. S.C. Leinders, kantoorgenoot van mr. Hilkens. Het Uwv is niet verschenen.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
De Raad heeft verzekeringsarts L. Greveling-Fockens benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.
Bij brief van 8 februari 2024 heeft mr. Hilkens het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Bij brief van 26 maart 2024 heeft het Uwv verweer gevoerd op het verzoek van verzoeker.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb kan in geval van intrekking van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.
2. Bij overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorzieningenprocedure dient de vraag of en in hoeverre het bestuursorgaan aan het verzoek is tegemoetgekomen in de eerste plaats te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bodemprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan een voorlopige maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
3. Het verzoek om voorlopige voorziening is door verzoeker ingetrokken in verband met een besluit van 14 december 2023, waarin het Uwv de WGA-loonaanvullingsuitkering van verzoeker ongewijzigd heeft voortgezet, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
4. Uit de gedingstukken blijkt dat het nieuwe besluit is genomen naar aanleiding van een melding van verzoeker op 25 april 2022 dat zijn gezondheidssituatie was veranderd. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Het nieuwe besluit is niet ingegeven door het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening. Er is evenmin een voorlopige maatregel getroffen waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
5. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om het Uwv te veroordelen in de proceskosten afwijzen.
6. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb waarin het griffierecht moet worden terugbetaald. Er is evenmin aanleiding voor een veroordeling van het Uwv om het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van verzoeker af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2024.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) S. Pouw