Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-05-22
ECLI:NL:CRVB:2024:1026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,755 tokens
Inleiding
23/2615 WIA
Datum uitspraak: 22 mei 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 augustus 2023, 22/5648 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 17 maart 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 april 2024. Voor appellant is mr. Gulickx verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als productiemedewerker/operator via een uitzendbureau voor 38,79 uur per week. Op 19 maart 2020 heeft hij zich ziekgemeld met fysieke klachten. Nadat zijn dienstverband op 22 maart 2020 is geëindigd, heeft appellant een ZW-uitkering ontvangen. Op 11 januari 2022 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend waarna onderzoek heeft plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 mei 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk en heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 3 juni 2022 geweigerd appellant met ingang van 17 maart 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 15 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant in zijn beroepschrift (uitsluitend) heeft herhaald wat hij in bezwaar al heeft aangevoerd. Omdat de beroepsgronden geen betrekking hebben op het bestreden besluit en de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep leidt dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn lichamelijke en psychische beperkingen. Appellant heeft last van zijn linkerarm en dat straalt door naar zijn schouder, nek, hand en hoofd. Verder heeft appellant last van orthostatische hypotensie (bloeddrukdaling bij snel opstaan uit liggende of zittende houding, wat leidt tot duizeligheid), een verhoogde bloedsuiker, een maagbacterie, een verdoofd gevoel aan zijn linkervoet, tintelingen en een warm gevoel in zijn linkerhand, allergische astma en een vitaminetekort. Ook heeft appellant ernstige psychische klachten. Appellant is erg somber en depressief. Als gevolg van de pijnklachten wordt appellant ’s nachts regelmatig wakker van de pijn. Door de vele klachten moet er een urenbeperking worden opgelegd en zijn de geselecteerde functies niet geschikt. Appellant is niet in staat om arbeid te verrichten. Daar komt bij dat appellant op leeftijd is, moeite heeft met het spreken en lezen van de Nederlandse taal en niet de werkervaring heeft om in het arbeidsproces mee te draaien. Tijdens de zitting heeft appellant met een beroep op het arrest Korošec de Raad verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 25 maart 2024 desgevraagd toegelicht dat geen beperking geldt voor het beroepsmatig besturen van een voertuig maar dat appellant wel na enige tijd (1 uur) last zou kunnen krijgen van het omhooghouden van de linkerschouder naast het geregeld roteren van de schouder, waarna enige tijd armrust vereist is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in haar rapport van 28 maart 2024 twee functies laten vervallen en een nieuwe functie bijgeduid. Op basis van de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160) en medewerker intern transport (SBC-code 111250) heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 20,45%. Dit heeft geen gevolgen voor het bestreden besluit omdat appellant nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
4.2.
De grond van appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest slaagt niet. Het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv heeft op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De primaire arts heeft het dossier bestudeerd en een spreekuur gehouden waarbij lichamelijk en psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gebaseerd op dossieronderzoek en informatie die tijdens de hoorzitting is verkregen van de gemachtigde en de bewindvoerder van appellant. Appellant heeft ervoor gekozen om zelf niet naar de hoorzitting te gaan. Verder zijn alle naar voren gebrachte klachten op een zorgvuldige en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Ook de door appellant ingediende foto’s van zijn medicatie zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de medische beoordeling betrokken.
Medische beoordeling
4.3.
De beroepsgrond van appellant dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen slaagt ook niet. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen door de artsen van het Uwv. Appellant heeft zijn eerst in hoger beroep ingenomen stelling dat sprake is van (ernstige) psychische klachten niet met objectieve medische informatie onderbouwd. Daarnaast heeft er tijdens het spreekuurcontact met de primaire arts psychisch onderzoek plaatsgevonden waarbij geen bijzonderheden zijn geconstateerd.
4.4.
Verder heeft de primaire arts op basis van de anamnese en eigen lichamelijk onderzoek tijdens het spreekuurcontact geconcludeerd dat appellant belemmeringen ervaart bij het gebruik van zijn linkerschouder en linker niet-dominante arm en daarvoor beperkingen aangenomen in de rubrieken fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 14 november 2022 voldoende gemotiveerdwaarom er geen reden is om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen dan neergelegd in de FML van 4 mei 2022. Het is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep het meest waarschijnlijk dat de ervaren pijnklachten in hoofd en nek voortvloeien uit de schouderklachten maar dat vormt geen aanleiding tot het stellen van meer beperkingen. De hoge bloedsuikerspiegel is pas na de datum in geding geconstateerd en wordt daarnaast gereguleerd door Metformine. Een hoge bloedsuikerspiegel die gereguleerd wordt door Metformine leidt niet tot beperkingen voor arbeid.
Overwegingen
6. In verband met de toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestaat wel aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 3.500,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep, 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep ter waarde van € 875,- per punt en een wegingsfactor 1). Daarnaast dient het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 3.500,-;
- bepaalt dat het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2024.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A.M. Korver
Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 en de uitspraak van de Raad hierover van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.