Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-24
ECLI:NL:CRVB:2023:989
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,208 tokens
Inleiding
22/797 AOW
Datum uitspraak: 24 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2022, 20/5430 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Spanje (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Met een besluit van 6 januari 2020 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend met een korting van 48%. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Svb is met het besluit van 10 september 2020 (bestreden besluit) bij de korting van 48% gebleven.
Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2023. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.
Overwegingen
Samenvatting
In deze zaak moet worden beoordeeld of de Svb terecht een korting van 48% heeft toegepast op het ouderdomspensioen van appellant, omdat hij afgerond 24 jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. De Raad is het eens met de rechtbank dat de Svb de verzekerde jaren van appellant juist heeft vastgesteld. Appellant heeft dus geen recht op een hoger ouderdomspensioen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, die is geboren op 27 oktober 1953, heeft vanaf 1 februari 1974 gewerkt en gewoond in Nederland. Hij is op 24 december 1991 met behoud van een uitkering op grond van de WAO, geremigreerd naar Spanje.
1.2.
Bij besluit van 6 januari 2020 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend met ingang van 27 februari 2020. Op dit ouderdomspensioen is een korting van 48% toegepast omdat appellant afgerond 24 jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW. Het gaat hierbij om een niet-verzekerde periode van 27 februari 1970 tot en met 31 januari 1974 en van 1 januari 2000 tot en met 26 februari 2020.
1.3.
In het bestreden besluit heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2020 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Svb de verzekerde jaren die appellant heeft opgebouwd voor de AOW juist heeft vastgesteld.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is, daarom ook veel kosten maakt en dat hij niet kan rondkomen van een ouderdomspensioen van € 600,- per maand. Op zijn WAO-uitkering zijn jarenlang loonbelasting en bijdragen Wlz en Zvw ingehouden wat hem recht zou moeten geven op een hoger ouderdomspensioen.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om appellant een ouderdomspensioen toe te kennen met een korting van 48% in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De AOW is een opbouwverzekering. Voor elk kalenderjaar dat een pensioengerechtigde in de 50 jaar gelegen voor zijn pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest, dus geen AOW-pensioen heeft opgebouwd, wordt een korting van 2% toegepast.
4.3.
Appellant woonde en werkte tot 1 februari 1974 niet in Nederland. Vanaf 1 januari 2000 was appellant als gevolg van het vervallen van artikel 26 van KB 746 niet langer op grond van het ontvangen van zijn WAO-uitkering verzekerd voor de AOW. Van de 50 jaar is appellant afgerond 24 jaar niet verzekerd geweest voor de AOW. Het feit dat belasting en buitenlandbijdragen voor de zorg zijn ingehouden op de WAO-uitkering van appellant, leidt niet tot meer verzekerde jaren voor de AOW. Daarom is terecht een korting van 48% toegepast op het AOW-pensioen van appellant. De Svb heeft het AOW-pensioen van appellant terecht vastgesteld op 52% van het volledige AOW-pensioen.
4.4.
De Raad begrijpt goed dat appellant door de korting op zijn AOW-pensioen moeilijker rond kan komen dan toen hij een WAO-uitkering kreeg. De AOW is, echter anders dan de WAO, een opbouwverzekering waarbij het voor de hoogte van het ouderdomspensioen van belang is hoeveel jaren iemand verzekerd is geweest voor de AOW. De door appellant geschetste persoonlijke omstandigheden kunnen niet tot toekenning van een hoger ouderdomspensioen leiden.
Conclusie
4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de hoogte van het AOW-pensioen terecht is vastgesteld op 52% van het volledige AOWpensioen.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) D. Al-Zubaidi
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Algemene Ouderdomswet.
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Wet langdurige zorg.
Zorgverzekeringswet.
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.
Inleiding
22/797 AOW
Datum uitspraak: 24 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2022, 20/5430 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Spanje (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Met een besluit van 6 januari 2020 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend met een korting van 48%. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Svb is met het besluit van 10 september 2020 (bestreden besluit) bij de korting van 48% gebleven.
Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2023. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.
Overwegingen
Samenvatting
In deze zaak moet worden beoordeeld of de Svb terecht een korting van 48% heeft toegepast op het ouderdomspensioen van appellant, omdat hij afgerond 24 jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. De Raad is het eens met de rechtbank dat de Svb de verzekerde jaren van appellant juist heeft vastgesteld. Appellant heeft dus geen recht op een hoger ouderdomspensioen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, die is geboren op 27 oktober 1953, heeft vanaf 1 februari 1974 gewerkt en gewoond in Nederland. Hij is op 24 december 1991 met behoud van een uitkering op grond van de WAO, geremigreerd naar Spanje.
1.2.
Bij besluit van 6 januari 2020 heeft de Svb aan appellant een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend met ingang van 27 februari 2020. Op dit ouderdomspensioen is een korting van 48% toegepast omdat appellant afgerond 24 jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW. Het gaat hierbij om een niet-verzekerde periode van 27 februari 1970 tot en met 31 januari 1974 en van 1 januari 2000 tot en met 26 februari 2020.
1.3.
In het bestreden besluit heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 6 januari 2020 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Svb de verzekerde jaren die appellant heeft opgebouwd voor de AOW juist heeft vastgesteld.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is, daarom ook veel kosten maakt en dat hij niet kan rondkomen van een ouderdomspensioen van € 600,- per maand. Op zijn WAO-uitkering zijn jarenlang loonbelasting en bijdragen Wlz en Zvw ingehouden wat hem recht zou moeten geven op een hoger ouderdomspensioen.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om appellant een ouderdomspensioen toe te kennen met een korting van 48% in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De AOW is een opbouwverzekering. Voor elk kalenderjaar dat een pensioengerechtigde in de 50 jaar gelegen voor zijn pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest, dus geen AOW-pensioen heeft opgebouwd, wordt een korting van 2% toegepast.
4.3.
Appellant woonde en werkte tot 1 februari 1974 niet in Nederland. Vanaf 1 januari 2000 was appellant als gevolg van het vervallen van artikel 26 van KB 746 niet langer op grond van het ontvangen van zijn WAO-uitkering verzekerd voor de AOW. Van de 50 jaar is appellant afgerond 24 jaar niet verzekerd geweest voor de AOW. Het feit dat belasting en buitenlandbijdragen voor de zorg zijn ingehouden op de WAO-uitkering van appellant, leidt niet tot meer verzekerde jaren voor de AOW. Daarom is terecht een korting van 48% toegepast op het AOW-pensioen van appellant. De Svb heeft het AOW-pensioen van appellant terecht vastgesteld op 52% van het volledige AOW-pensioen.
4.4.
De Raad begrijpt goed dat appellant door de korting op zijn AOW-pensioen moeilijker rond kan komen dan toen hij een WAO-uitkering kreeg. De AOW is, echter anders dan de WAO, een opbouwverzekering waarbij het voor de hoogte van het ouderdomspensioen van belang is hoeveel jaren iemand verzekerd is geweest voor de AOW. De door appellant geschetste persoonlijke omstandigheden kunnen niet tot toekenning van een hoger ouderdomspensioen leiden.
Conclusie
4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de hoogte van het AOW-pensioen terecht is vastgesteld op 52% van het volledige AOWpensioen.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2023.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) D. Al-Zubaidi
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
Algemene Ouderdomswet.
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Wet langdurige zorg.
Zorgverzekeringswet.
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.