Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-23
ECLI:NL:CRVB:2023:978
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,478 tokens
Inleiding
22 2592 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2022, 22/2110 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 23 mei 2023
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat de standpunten duidelijk zijn en een zitting niet nodig is en heeft aan hen gevraagd of zij een zitting willen. Partijen hebben daarop toestemming gegeven de zaak zonder zitting af te doen. De Raad heeft daarom bepaald dat er geen zitting komt en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 11 november 2021 op grond van de Participatiewet (PW) een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een vlucht naar Suriname tot een bedrag van € 2.000,-. Bij die aanvraag is de volgende verklaring van huisarts Luijendijk gevoegd: “Wil naar Suriname voor de behandeling van zijn lage rugpijn en lichaamspijnen.”
1.2.
Bij besluit van 16 december 2021, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 maart 2022 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat de kosten niet noodzakelijk zijn. Voor appellant is het wenselijk om medicinale behandelingen op natuurbasis in Suriname te ondergaan, maar dat maakt de kosten niet noodzakelijk. Niet is gebleken dat appellant zijn behandeling in Suriname moet voortzetten vanwege een medische noodzaak.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd zich voordoen. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten noodzakelijk zijn. De in beroep overgelegde verklaringen van huisarts Wuts van 17 februari 2022, natuurgenezer Chotkan van 30 mei 2022, secretaris [naam 1] van de verenigingen [verenigingen] van 30 mei 2022, [naam 2] van 30 mei 2022 en arts Voight van 30 mei 2022 zijn daarvoor niet voldoende. In deze verklaringen wordt namelijk niets gezegd over de noodzaak van de behandeling in Suriname. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de behandeling in Suriname noodzakelijk was.
4.3.
Appellant heeft ook aangevoerd dat hij de verklaring van huisarts Luijendijk zo heeft begrepen dat deze de behandeling in Suriname noodzakelijk achtte en dat hij daarop mocht vertrouwen. Deze grond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Van een toezegging, uitlating of gedraging in de hiervoor bedoelde zin is in dit geval geen sprake.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2023.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) N. van der Horn
Inleiding
22 2592 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2022, 22/2110 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 23 mei 2023
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat de standpunten duidelijk zijn en een zitting niet nodig is en heeft aan hen gevraagd of zij een zitting willen. Partijen hebben daarop toestemming gegeven de zaak zonder zitting af te doen. De Raad heeft daarom bepaald dat er geen zitting komt en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 11 november 2021 op grond van de Participatiewet (PW) een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een vlucht naar Suriname tot een bedrag van € 2.000,-. Bij die aanvraag is de volgende verklaring van huisarts Luijendijk gevoegd: “Wil naar Suriname voor de behandeling van zijn lage rugpijn en lichaamspijnen.”
1.2.
Bij besluit van 16 december 2021, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 maart 2022 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat de kosten niet noodzakelijk zijn. Voor appellant is het wenselijk om medicinale behandelingen op natuurbasis in Suriname te ondergaan, maar dat maakt de kosten niet noodzakelijk. Niet is gebleken dat appellant zijn behandeling in Suriname moet voortzetten vanwege een medische noodzaak.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd zich voordoen. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat deze kosten noodzakelijk zijn. De in beroep overgelegde verklaringen van huisarts Wuts van 17 februari 2022, natuurgenezer Chotkan van 30 mei 2022, secretaris [naam 1] van de verenigingen [verenigingen] van 30 mei 2022, [naam 2] van 30 mei 2022 en arts Voight van 30 mei 2022 zijn daarvoor niet voldoende. In deze verklaringen wordt namelijk niets gezegd over de noodzaak van de behandeling in Suriname. Ook overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de behandeling in Suriname noodzakelijk was.
4.3.
Appellant heeft ook aangevoerd dat hij de verklaring van huisarts Luijendijk zo heeft begrepen dat deze de behandeling in Suriname noodzakelijk achtte en dat hij daarop mocht vertrouwen. Deze grond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Van een toezegging, uitlating of gedraging in de hiervoor bedoelde zin is in dit geval geen sprake.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2023.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) N. van der Horn