Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-03-23
ECLI:NL:CRVB:2023:548
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,764 tokens
Inleiding
212128 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2021, 20/7360 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 maart 2023
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gulickx. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als energieverkoper voor 34 uur per week. Op 12 februari 2019 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant met ingang van 18 februari 2019 in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 18 december 2019 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 december 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 100% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 21 januari 2020 vastgesteld dat appellant met ingang van 12 maart 2020 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2020 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 juni 2020 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het Uwv informatie had moeten inwinnen bij zijn behandelaars. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte namelijk over recente informatie van de praktijkondersteuner GGZ en van twee psychologen en mag bovendien in beginsel afgaan op zijn eigen oordeel. Om die laatste reden ziet de rechtbank evenmin in waarom het Uwv een psychodiagnostisch onderzoek had moeten laten doen. Uit de rapporten blijkt verder dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder de psychische klachten, rug- en schouderklachten. Ook de hypermobiliteit, het gebruik van alprazolam en de verslavingsproblematiek waren bekend. Al deze klachten zijn bij de beoordeling betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met deze klachten heeft aangenomen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om zelf een medisch deskundige te benoemen. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om weerwoord te bieden aan wat het Uwv heeft aangevoerd om het bestreden besluit te onderbouwen. Omdat geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms, bestaat voor de rechtbank geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Nu de FML correct is vastgesteld bestaat naar het oordeel van de rechtbank evenmin aanleiding om de aan appellant voorgehouden functies als niet passend te achten, omdat deze functies binnen de belastbaarheid van appellant vallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarbij inzichtelijk gemotiveerd dat appellant in staat is de geduide functies te verrichten. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft bepaald dat appellant per 12 maart 2020 geen recht meer heeft op een ZWuitkering.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat, omdat slechts beperkt rekening is gehouden met zijn psychische klachten en in het geheel geen beperkingen zijn aangenomen voor zijn hyperflexibiliteit en rug- en schouderklachten. Er is daarnaast geen rekening gehouden met de bijwerkingen van de medicatie die hij ervaart, zoals concentratieproblemen en het vasthouden van de aandacht. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant een medicatieoverzicht overgelegd over de periode van 1 januari 2017 tot en met 18 januari 2023. Verder is het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest, omdat het Uwv geen navraag heeft gedaan bij zijn behandelaar en geen psychodiagnostisch onderzoek heeft uitgevoerd. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec), heeft appellant verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. In dit verband heeft appellant gesteld dat hij niet over voldoende financiën beschikt om zelf een deskundige in te schakelen waarmee de ongelijkheid op verzekeringsgeneeskundig vlak kan worden opgeheven. Tot slot heeft appellant gesteld dat de geselecteerde functies in medisch opzicht ongeschikt zijn voor hem.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht met ingang van 12 maart 2020 de ZWuitkering van appellant heeft beëindigd.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Uit het inzichtelijke en toereikende gemotiveerde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat met alle medisch te objectiveren fysieke en psychische klachten rekening is gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat voor wat betreft de psychische klachten geen medische stukken aanwezig zijn op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de vastgestelde psychische beperkingen in de FML van 18 december 2019. Uit de brief van de praktijkondersteuner van 12 februari 2020 en de e-mail van de GZ-psycholoog van 17 februari 2020 blijkt niet dat appellant wat betreft deze klachten verdergaand beperkt moet worden geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts inzichtelijk gemotiveerd dat met name sprake is van psychosociale problemen en persoonlijkheidsproblematiek. Ook is afdoende toegelicht dat de brief van de psycholoog van 23 april 2020 geen aanleiding geeft voor aanvullende beperkingen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van O.N. Haafkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) O.N. Haafkes
Inleiding
212128 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2021, 20/7360 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 maart 2023
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gulickx. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als energieverkoper voor 34 uur per week. Op 12 februari 2019 heeft hij zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant met ingang van 18 februari 2019 in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 18 december 2019 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 december 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 100% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 21 januari 2020 vastgesteld dat appellant met ingang van 12 maart 2020 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2020 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 juni 2020 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het Uwv informatie had moeten inwinnen bij zijn behandelaars. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte namelijk over recente informatie van de praktijkondersteuner GGZ en van twee psychologen en mag bovendien in beginsel afgaan op zijn eigen oordeel. Om die laatste reden ziet de rechtbank evenmin in waarom het Uwv een psychodiagnostisch onderzoek had moeten laten doen. Uit de rapporten blijkt verder dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder de psychische klachten, rug- en schouderklachten. Ook de hypermobiliteit, het gebruik van alprazolam en de verslavingsproblematiek waren bekend. Al deze klachten zijn bij de beoordeling betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met deze klachten heeft aangenomen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om zelf een medisch deskundige te benoemen. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om weerwoord te bieden aan wat het Uwv heeft aangevoerd om het bestreden besluit te onderbouwen. Omdat geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms, bestaat voor de rechtbank geen aanleiding om op die grond een deskundige in te schakelen. Nu de FML correct is vastgesteld bestaat naar het oordeel van de rechtbank evenmin aanleiding om de aan appellant voorgehouden functies als niet passend te achten, omdat deze functies binnen de belastbaarheid van appellant vallen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarbij inzichtelijk gemotiveerd dat appellant in staat is de geduide functies te verrichten. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft bepaald dat appellant per 12 maart 2020 geen recht meer heeft op een ZWuitkering.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat, omdat slechts beperkt rekening is gehouden met zijn psychische klachten en in het geheel geen beperkingen zijn aangenomen voor zijn hyperflexibiliteit en rug- en schouderklachten. Er is daarnaast geen rekening gehouden met de bijwerkingen van de medicatie die hij ervaart, zoals concentratieproblemen en het vasthouden van de aandacht. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant een medicatieoverzicht overgelegd over de periode van 1 januari 2017 tot en met 18 januari 2023. Verder is het medisch onderzoek onzorgvuldig geweest, omdat het Uwv geen navraag heeft gedaan bij zijn behandelaar en geen psychodiagnostisch onderzoek heeft uitgevoerd. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec), heeft appellant verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen. In dit verband heeft appellant gesteld dat hij niet over voldoende financiën beschikt om zelf een deskundige in te schakelen waarmee de ongelijkheid op verzekeringsgeneeskundig vlak kan worden opgeheven. Tot slot heeft appellant gesteld dat de geselecteerde functies in medisch opzicht ongeschikt zijn voor hem.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht met ingang van 12 maart 2020 de ZWuitkering van appellant heeft beëindigd.
4.3.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Uit het inzichtelijke en toereikende gemotiveerde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat met alle medisch te objectiveren fysieke en psychische klachten rekening is gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat voor wat betreft de psychische klachten geen medische stukken aanwezig zijn op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de vastgestelde psychische beperkingen in de FML van 18 december 2019. Uit de brief van de praktijkondersteuner van 12 februari 2020 en de e-mail van de GZ-psycholoog van 17 februari 2020 blijkt niet dat appellant wat betreft deze klachten verdergaand beperkt moet worden geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts inzichtelijk gemotiveerd dat met name sprake is van psychosociale problemen en persoonlijkheidsproblematiek. Ook is afdoende toegelicht dat de brief van de psycholoog van 23 april 2020 geen aanleiding geeft voor aanvullende beperkingen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van O.N. Haafkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) O.N. Haafkes