Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2023-03-02
ECLI:NL:CRVB:2023:399
Bestuursrecht
20 3335 WIA Datum uitspraak: 2 maart 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 augustus 2020, 19/1354 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Namens appellant heeft mr. M. Kuiper hoger beroep ingesteld. Mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv is niet verschenen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van O.N. Haafkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2023. (getekend) M.E. Fortuin (getekend) O.N. Haafkes 1.1. Appellant is na een bedrijfsongeval op 29 juli 2016 met armklachten uitgevallen uit werkzaamheden als grondwerker die hij 32,69 uur per week verrichtte. 1.2. In het kader van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant onderzocht op het spreekuur van een arts van het Uwv. Deze arts heeft in een rapport van 3 juli 2018 onder meer vermeld dat bij appellant in 2016 bij een MRI ernstige epicondylitis lateralis van de rechter elleboog is vastgesteld en dat een reumatoloog in 2017 fibromyalgiesyndroom, hypermobiliteit en neiging tot tendinitis/epicondylitis lateralis beiderzijds heeft vastgesteld. Daarnaast heeft appellant vanaf 2017 psychische klachten. De arts heeft in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische en statische belasting, werken in de nacht, overwerk en sterk onregelmatige diensten. 1.3. Een arbeidsdeskundige heeft in een rapport van 10 juli 2018 vastgesteld dat de maatgevende arbeid niet geschikt is voor appellant en aan de hand van wat appellant kan verdienen in geselecteerde voorbeeldfuncties berekend dat hij 12,77% arbeidsongeschikt is. 1.4. Het Uwv heeft bij besluit van 13 juli 2018 geweigerd om appellant met ingang van 27 juli 2018 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.5. In bezwaar is appellant aansluitend aan de hoorzitting onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft in een rapport van 14 maart 2019 vermeld dat het verrichte lichamelijk onderzoek beperkte functies toonde voor de buigmogelijkheid van de ellebogen, de functie van de rechterschouder en de kracht in de rechterhand. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een beperking voor werken boven schouderhoogte aan de FML toegevoegd. Deze arts heeft verder geen aanleiding gezien om de door de primaire arts vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. 1.6. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 2 april 2019 vermeld dat een door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functie vervalt omdat appellant niet voldoet aan de in de functie gestelde ervaringseisen. Als voorbeeldfuncties zijn de functies van medewerker post (SBC-code 315133), printmonteur (SBC-code 111180), telefonisch verkoper (SBC-code 315173) en medewerker bloemzaadproductie (SBC-code 111010) gehandhaafd. Aan de hand van wat appellant kan verdienen in de drie hoogst verlonende functies heeft de arbeidsdeskundige berekend dat appellant 13,81% arbeidsongeschikt is. 1.7. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 5 april 2019 (bestreden besluit) onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft besloten dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft goed gemotiveerd waarom er geen redenen zijn om verdergaande beperkingen aan te nemen dan zijn aangenomen in de FML van 14 maart 2019. Op basis van de ingebrachte algemene informatie over zijn ziekte, informatie van de huisarts en informatie van de behandelend psycholoog zijn er geen aanknopingspunten voor aanvullende of verdergaande beperkingen. Verder heeft het Uwv voldoende onderbouwd dat de voorbeeldfuncties voor appellant geschikt zijn. 3.1.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende gemotiveerd is waarom er geen verdergaande fysieke beperkingen zijn aangenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een rapport van reumatoloog dr. D.F. ten Cate van 25 mei 2021 ingebracht. Hij heeft aangevoerd dat de verruimende toelichtingen in de FML bij de beperkingen voor lopen en staan niet logisch en onvoldoende gemotiveerd zijn. De combinatie van lopen en staan is daardoor tot vier uur per werkdag mogelijk terwijl hij volgens de FML slechts één uur per dag kan lopen of staan. 3.1.2. Verder heeft appellant zijn standpunt herhaald dat de maatmanomvang niet juist is vastgesteld, omdat geen rekening is gehouden met het feit dat hij 40 uur per week zou hebben gewerkt als hij geen therapieën zou hebben gevolgd. Appellant heeft naar voren gebracht dat hij in het jaar 2016 veel therapieën heeft gevolgd en een afsprakenoverzicht ingebracht over de periode van 10 maart 2016 tot 19 juli 2016. Appellant heeft in dit verband verwezen naar artikel 7a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). 3.1.3. Over de geselecteerde functies heeft appellant aangevoerd dat de functie van telefonisch verkoper niet geschikt is omdat in deze functie in de avonduren wordt gewerkt en een te hoog niveau heeft omdat het een functie op MBO niveau 1 is, terwijl hij VMBO-niveau heeft. Ter zitting heeft hij hieraan toegevoegd dat hij weliswaar een diploma vakman wegenbouw heeft behaald, maar dat hij op school niet goed mee kon komen en dat hij veel moeite heeft moeten doen om dit diploma te behalen. De functie van printmonteur is niet geschikt door de belasting op boven schouder actief zijn. De functie van medewerker bloemzaadproductie is volgens appellant niet geschikt omdat in deze functie ongeveer vier uur per dag moet worden gestaan. Ook als van een (sta)kruk gebruik wordt gemaakt blijft dit een overschrijding, waarbij met een kruk in een gedwongen zithouding zal worden gewerkt. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en heeft in reactie op de gronden van appellant een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 januari 2021 en rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 april 2022 en 23 juni 2022 ingediend. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. 4.2. In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 27 juli 2018 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen. 4.3. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 1 april 2022 in een reactie op het rapport van reumatoloog Ten Cate opgemerkt dat het gegeven dat de reumatoloog het beeld als heftig en zeer invaliderend beschrijft geen concrete indicatie voor meer beperkingen is. Bovendien zijn de bevindingen van de reumatoloog van ruim na de datum in geding en wijken volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet wezenlijk af van de bevindingen van het onderzoek tijdens en na de hoorzitting in bezwaar. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dit standpunt. 4.4.1. Over de combinatie van lopen en staan is van belang dat de primaire arts in het rapport van 3 juli 2018 heeft vermeld dat lopen en staan samen tot vier uur mogelijk is op een werkdag. Appellant is niet beperkt tot één uur lopen of één uur staan tijdens het werk.