Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-01-10
ECLI:NL:CRVB:2023:36
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,202 tokens
Inleiding
21964 PW, 21/965 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2021, 19/3872 en 19/3875 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Meppel (college)
Datum uitspraak: 10 januari 2023
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. A.P.E.M. Pover, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft bij brief van 12 mei 2022 (regiebrief) aan partijen voorgehouden hoe de Raad het geschil tussen partijen ziet en het college vragen gesteld en appellanten in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten.
Het college heeft bij brief van 24 mei 2022 en appellanten hebben bij brief van 24 juni 2022 gereageerd.
Appellanten hebben toestemming gegeven om een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Het college heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De Raad heeft daarom bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is gehuwd met appellant. Appellanten ontvingen vanaf 15 oktober 2008 bijstand naar de norm voor gehuwden. Nadat appellant de echtelijke woning had verlaten, ontving appellante vanaf 29 september 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellante staat sinds 23 november 1998 in de Basisregistratie Personen (BRP) samen met haar drie kinderen ingeschreven op een adres in [plaats] (uitkeringsadres). Appellant stond tot 7 februari 2012 in de BRP ook op dat adres ingeschreven en staat sinds 7 februari 2012 ingeschreven op een ander adres in [plaats] . Appellant heeft inkomsten uit arbeid.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van de re-integratiecoach van appellante dat appellanten vermoedelijk samenwonen, heeft de sociale recherche IJssel-Vechtstreek (sociale recherche) in mei 2018 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer verbruiksgegevens opgevraagd bij het waterbedrijf, bankgegevens van appellanten over 2011 tot en met 2018 gevorderd bij de ING-bank, in de periode van 20 augustus 2018 tot en met 1 september 2018 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en – na verkregen toestemming van de Officier van Justitie – in de periode van 6 november 2018 tot en met 20 januari 2019 observaties verricht nabij het uitkeringsadres en het adres van appellant. Verder heeft de sociale recherche appellanten op 16 april 2019 verhoord en op 16 april 2019 een buurtonderzoek gedaan bij het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 april 2019 (rapport).
1.3.
Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 9 mei 2019 (besluit 1) de algemene bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken. Bij dit besluit heeft het college ook de in de jaren 2014 tot en met 2018 aan appellante toegekende langdurigheidstoeslag, individuele inkomenstoeslag en bijzondere bijstand (toeslag en bijzondere bijstand) ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2014 tot 1 april 2019 gemaakte kosten van bijstand, toeslag en bijzondere bijstand tot een bedrag van in totaal € 87.207,93 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van dezelfde datum (besluit 2) heeft het college het bedrag van € 87.207,93 mede van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van 27 september 2019 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen besluit 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 januari 2014 niet meer duurzaam gescheiden leeft van appellant en dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door deze wijziging niet te melden aan het college. Omdat het (gezamenlijk) inkomen hoger ligt dan de bijstandsnorm voor gehuwden, bestaat er geen recht op bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in de hoger beroepen op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Algemeen (beoordelingsperiode, bewijslast en wettelijk kader)
4.1.
De te beoordelen periode loopt voor appellante van 1 januari 2014, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 9 mei 2019, de datum van het intrekkingsbesluit, en voor appellant van 1 januari 2014 tot 1 april 2019, de einddatum van de medeterugvorderingsperiode (beoordelingsperiodes).
4.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.3.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is aangemerkt als ongehuwd.
Echtgenoten leven pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918). Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden.
Rechtmatigheid verkregen onderzoeksbevindingen
4.4.
Appellanten voeren aan dat de onder 1.2 vermelde onderzoeksbevindingen onrechtmatig zijn verkregen en dus buiten beschouwing moeten blijven. Er is namelijk alleen een bevel stelselmatige observaties (bevel) afgegeven ten aanzien van appellant en niet ten aanzien van appellante. Daarnaast heeft het onderzoek van de sociale recherche zich over een langere periode uitgestrekt dan de periode van 29 oktober 2018 tot en met 25 januari 2019, waarvoor het wel aanwezige bevel was afgegeven. In het rapport staat dat de inmiddels overleden sociaal-rechercheur X in het verleden ook al waarnemingen en andere onderzoekshandelingen heeft verricht.
4.5.
Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag en slaagt daarom niet. De bevelen ten aanzien van appellante én appellant bevinden zich namelijk bij de gedingstukken, wat ook al in de beroepsprocedure was vastgesteld. In de periode waarvoor de bevelen zijn afgegeven hebben observaties plaatsgevonden. De waarnemingen en andere onderzoekshandelingen die zijn verricht door X, die in 2013 is overleden, vallen buiten het in mei 2018 aangevangen onderzoek van de sociale recherche en buiten de hier te beoordelen perioden en liggen ook niet ten grondslag aan de bestreden besluiten.
4.6.
Verder voeren appellanten aan dat niet is vast te stellen dat zij vanaf 1 januari 2014 niet meer duurzaam gescheiden zouden leven. Voor zover appellanten hiermee aanvoeren dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten in de beoordelingsperiodes niet duurzaam gescheiden leefden, slaagt deze beroepsgrond niet. Die bevindingen, waarvan in het bijzonder de op 16 april 2019 door appellanten afgelegde verklaringen, bieden daarvoor wel een toereikende feitelijke grondslag. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.7.1.
Uit de verklaringen van appellanten tegenover de sociale recherche volgt dat appellanten in ieder geval vanaf januari 2014 niet meer duurzaam gescheiden leefden. Zo heeft appellante tijdens het eerste verhoor verklaard dat appellant vaak bij haar en hun kinderen komt eten, dat dit altijd zo is geweest en dat de omgang tussen haar en appellant in het begin toen zij uit elkaar gingen wat moeizaam was, maar dat het na drie jaar beter ging. Verder heeft appellante op de vraag of zij en appellant eigenlijk wel echt uit elkaar zijn gegaan geantwoord: “Ja, drie à vier jaar zeker. Periode tussen 2010 tot 2013 à 2014.” Aan het beging van het tweede verhoor heeft appellante verklaard dat het altijd zo is geweest dat appellant dagelijks betrokken is geweest bij hun kinderen en ook bij hen eet, dat het sinds ze uit elkaar waren in het begin moeizaam ging, dat appellant er meer was voor de kinderen, dat het contact steeds beter ging zonder ruzie te maken, dat appellant na drie jaar steeds vaker kwam, dat zij en appellant samen eten en samen tijd doorbrengen met de kinderen en dat appellant af en toe bleef slapen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Mink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J.E. Mink
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.
Inleiding
21964 PW, 21/965 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 januari 2021, 19/3872 en 19/3875 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Meppel (college)
Datum uitspraak: 10 januari 2023
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. A.P.E.M. Pover, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft bij brief van 12 mei 2022 (regiebrief) aan partijen voorgehouden hoe de Raad het geschil tussen partijen ziet en het college vragen gesteld en appellanten in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten.
Het college heeft bij brief van 24 mei 2022 en appellanten hebben bij brief van 24 juni 2022 gereageerd.
Appellanten hebben toestemming gegeven om een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Het college heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De Raad heeft daarom bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is gehuwd met appellant. Appellanten ontvingen vanaf 15 oktober 2008 bijstand naar de norm voor gehuwden. Nadat appellant de echtelijke woning had verlaten, ontving appellante vanaf 29 september 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellante staat sinds 23 november 1998 in de Basisregistratie Personen (BRP) samen met haar drie kinderen ingeschreven op een adres in [plaats] (uitkeringsadres). Appellant stond tot 7 februari 2012 in de BRP ook op dat adres ingeschreven en staat sinds 7 februari 2012 ingeschreven op een ander adres in [plaats] . Appellant heeft inkomsten uit arbeid.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van de re-integratiecoach van appellante dat appellanten vermoedelijk samenwonen, heeft de sociale recherche IJssel-Vechtstreek (sociale recherche) in mei 2018 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer verbruiksgegevens opgevraagd bij het waterbedrijf, bankgegevens van appellanten over 2011 tot en met 2018 gevorderd bij de ING-bank, in de periode van 20 augustus 2018 tot en met 1 september 2018 waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres en – na verkregen toestemming van de Officier van Justitie – in de periode van 6 november 2018 tot en met 20 januari 2019 observaties verricht nabij het uitkeringsadres en het adres van appellant. Verder heeft de sociale recherche appellanten op 16 april 2019 verhoord en op 16 april 2019 een buurtonderzoek gedaan bij het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 april 2019 (rapport).
1.3.
Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 9 mei 2019 (besluit 1) de algemene bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken. Bij dit besluit heeft het college ook de in de jaren 2014 tot en met 2018 aan appellante toegekende langdurigheidstoeslag, individuele inkomenstoeslag en bijzondere bijstand (toeslag en bijzondere bijstand) ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2014 tot 1 april 2019 gemaakte kosten van bijstand, toeslag en bijzondere bijstand tot een bedrag van in totaal € 87.207,93 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van dezelfde datum (besluit 2) heeft het college het bedrag van € 87.207,93 mede van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van 27 september 2019 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen besluit 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 1 januari 2014 niet meer duurzaam gescheiden leeft van appellant en dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door deze wijziging niet te melden aan het college. Omdat het (gezamenlijk) inkomen hoger ligt dan de bijstandsnorm voor gehuwden, bestaat er geen recht op bijstand.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in de hoger beroepen op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Algemeen (beoordelingsperiode, bewijslast en wettelijk kader)
4.1.
De te beoordelen periode loopt voor appellante van 1 januari 2014, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 9 mei 2019, de datum van het intrekkingsbesluit, en voor appellant van 1 januari 2014 tot 1 april 2019, de einddatum van de medeterugvorderingsperiode (beoordelingsperiodes).
4.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.3.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is aangemerkt als ongehuwd.
Echtgenoten leven pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918). Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden.
Rechtmatigheid verkregen onderzoeksbevindingen
4.4.
Appellanten voeren aan dat de onder 1.2 vermelde onderzoeksbevindingen onrechtmatig zijn verkregen en dus buiten beschouwing moeten blijven. Er is namelijk alleen een bevel stelselmatige observaties (bevel) afgegeven ten aanzien van appellant en niet ten aanzien van appellante. Daarnaast heeft het onderzoek van de sociale recherche zich over een langere periode uitgestrekt dan de periode van 29 oktober 2018 tot en met 25 januari 2019, waarvoor het wel aanwezige bevel was afgegeven. In het rapport staat dat de inmiddels overleden sociaal-rechercheur X in het verleden ook al waarnemingen en andere onderzoekshandelingen heeft verricht.
4.5.
Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag en slaagt daarom niet. De bevelen ten aanzien van appellante én appellant bevinden zich namelijk bij de gedingstukken, wat ook al in de beroepsprocedure was vastgesteld. In de periode waarvoor de bevelen zijn afgegeven hebben observaties plaatsgevonden. De waarnemingen en andere onderzoekshandelingen die zijn verricht door X, die in 2013 is overleden, vallen buiten het in mei 2018 aangevangen onderzoek van de sociale recherche en buiten de hier te beoordelen perioden en liggen ook niet ten grondslag aan de bestreden besluiten.
4.6.
Verder voeren appellanten aan dat niet is vast te stellen dat zij vanaf 1 januari 2014 niet meer duurzaam gescheiden zouden leven. Voor zover appellanten hiermee aanvoeren dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellanten in de beoordelingsperiodes niet duurzaam gescheiden leefden, slaagt deze beroepsgrond niet. Die bevindingen, waarvan in het bijzonder de op 16 april 2019 door appellanten afgelegde verklaringen, bieden daarvoor wel een toereikende feitelijke grondslag. Hierbij is het volgende van betekenis.
4.7.1.
Uit de verklaringen van appellanten tegenover de sociale recherche volgt dat appellanten in ieder geval vanaf januari 2014 niet meer duurzaam gescheiden leefden. Zo heeft appellante tijdens het eerste verhoor verklaard dat appellant vaak bij haar en hun kinderen komt eten, dat dit altijd zo is geweest en dat de omgang tussen haar en appellant in het begin toen zij uit elkaar gingen wat moeizaam was, maar dat het na drie jaar beter ging. Verder heeft appellante op de vraag of zij en appellant eigenlijk wel echt uit elkaar zijn gegaan geantwoord: “Ja, drie à vier jaar zeker. Periode tussen 2010 tot 2013 à 2014.” Aan het beging van het tweede verhoor heeft appellante verklaard dat het altijd zo is geweest dat appellant dagelijks betrokken is geweest bij hun kinderen en ook bij hen eet, dat het sinds ze uit elkaar waren in het begin moeizaam ging, dat appellant er meer was voor de kinderen, dat het contact steeds beter ging zonder ruzie te maken, dat appellant na drie jaar steeds vaker kwam, dat zij en appellant samen eten en samen tijd doorbrengen met de kinderen en dat appellant af en toe bleef slapen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Mink als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J.E. Mink
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.