Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-12-20
ECLI:NL:CRVB:2023:2412
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
938 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 20 december 2023
22/1344 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 april 2022, 20/6175 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 2 juni 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 21 augustus 2023 heeft mr. Ross namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 juni 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Voor een vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar bestaat geen grond, omdat appellante destijds zelf bezwaar heeft gemaakt. Aangezien het Uwv de gemaakte reiskosten in bezwaar heeft vergoed, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift) voor verleende rechtsbijstand. Ook komen de door appellante gemaakte reiskosten van
€ 30,22 voor vergoeding in aanmerking. In totaal dient het Uwv dus € 2.541,22 te vergoeden.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank al bepaald dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep moet vergoeden. Het Uwv dient ook het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.541,22;
bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) M.D.F. de Moor