Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-12-14
ECLI:NL:CRVB:2023:2395
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,161 tokens
Inleiding
22/3730 WIA
Datum uitspraak: 14 december 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2022, 21/4621 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 6 oktober 2020 heeft vastgesteld op 53,09%. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 november 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Putten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Libari.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als Medewerker Cliënt Administratie voor gemiddeld 23,91 uur per week. Na afloop van de wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 6 oktober 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met het besluit van 22 juli 2020 met ingang van 6 oktober 2020 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
De voormalig werkgever van appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 juli 2020, omdat dit besluit niet was gebaseerd op actueel verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Vervolgens heeft alsnog onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 januari 2021. De arbeidsdeskundige heeft voor appellante functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 53,13%.
1.3.
Met een brief van 11 februari 2021 heeft het Uwv het voornemen kenbaar gemaakt om het besluit van 22 juli 2020 te wijzigen, in die zin dat aan appellante met ingang van
6 oktober 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering wordt toegekend en de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 53,13%. Appellante heeft bij brief van
25 maart 2021 aangegeven zich niet te kunnen verenigen met dit voornemen en haar bezwaren hiertegen naar voren gebracht.
1.4.
Vervolgens hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de verzekeringsarts verrichte medische beoordeling bevestigd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen naar 53,09%, vanwege een technische verandering in de functieduiding, maar wijkt voor het overige niet af van de conclusie van de arbeidsdeskundige. Op basis hiervan heeft het Uwv het bezwaar van de voormalig werkgever met een besluit van 20 juli 2021 (bestreden besluit) gegrond verklaard en appellante met ingang van 6 oktober 2020 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 53,09%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de FML van 15 januari 2021 juist is vastgesteld. Alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de aanwezige informatie van de behandelend sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Er is geen reden om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Niet aannemelijk is dat er medische informatie ontbreekt en ook is niet gebleken dat de verzekeringsartsen van het Uwv aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. Wat appellante heeft aangevoerd, legt tegenover de gemotiveerde conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan verdergaande beperkingen aan te nemen. Dat appellante eerder in 2018 volledig arbeidsongeschiktheid is verklaard, is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Omdat er geen reden is voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsartsen, wordt het verzoek van appellante tot benoeming van een deskundige afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat, uitgaande van de juistheid van de FML van 15 januari 2021, door het Uwv voldoende is gemotiveerd dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn, omdat bij de uitvoering van die functies geen sprake is van overschrijding van haar belastbaarheid. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld op 53,09%.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit tot vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 53,09% in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Medische beoordeling
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht. Het lichamelijk onderzoek had volgens haar ten onrechte slechts betrekking op haar handen, waarbij haar handen, met name de hand- en vingerfunctie, minder goed en uitgebreid zijn onderzocht dan tijdens de medische beoordeling in 2018. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Beoordeling
4.4.
Appellante heeft daarnaast aangevoerd dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Volgens appellante zijn in de FML van 15 januari 2021 veel minder of minder vergaande beperkingen aangenomen in de rubriek dynamische handelingen dan in een eerdere FML van 11 september 2018, terwijl haar medische situatie niet is gewijzigd. In aanvulling op die eerdere FML moet appellante naar eigen zeggen ook beperkt worden geacht voor werken met een toetsenbord en/of muis vanwege haar aanhoudende handklachten en voor samenwerken. Dit laatste omdat zij sterk beperkt is geacht voor omgaan met conflicten en samenwerken een risico op conflicten oplevert. Verder heeft appellante gesteld dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met haar concentratieproblemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen reden bestaat voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellante onjuist is ingeschat. Ten aanzien van de lichamelijke klachten is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapporten van 30 juni 2021 en 20 april 2023 op navolgbare wijze gemotiveerd dat daar voldoende rekening mee is gehouden door een aanzienlijk aantal beperkingen op te nemen in de rubrieken fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Concreet voor wat betreft de handklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat bij het lichamelijk onderzoek op 14 januari 2021 geen afwijkingen aan vingers of polsen zijn gevonden en dat er daarom geen beperking voor werken met een toetsenbord en/of muis is aangenomen. Voor het feit dat er in de FML van 11 september 2018 meer beperkingen op het aspect hand- en vingergebruik zijn opgenomen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bovendien een aannemelijke verklaring gegeven, door te wijzen op de operatie die appellante kort voor het lichamelijk onderzoek in 2018 aan haar rechterhand had ondergaan vanwege triggerfingers. Dat zoals appellante stelt ook ten tijde van de datum in geding, 6 oktober 2020, dus ruim anderhalf jaar later, meer beperkingen voortkomend uit haar handklachten moeten worden aangenomen, is door haar niet met medische informatie onderbouwd. Hetgeen appellante zelf over haar handklachten naar voren heeft gebracht, vormt mede gezien de nauwkeurig beschreven onderzoeksbevindingen van het lichamelijk onderzoek onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de wijze waarop haar handklachten zijn meegenomen in de FML van 15 januari 2021. Ten aanzien van de door appellante gestelde concentratieproblemen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 20 april 2023 verder voldoende en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om haar vanwege die problemen, naast de aangenomen beperking voor geluidsbelasting, verdergaand beperkt te achten. Dit geldt ook voor de in dat rapport gegeven motivering voor het niet beperkt achten van appellante voor samenwerken, waarbij terecht wordt opgemerkt dat een beperking voor omgaan met conflicten niet automatisch een beperking voor samenwerken met zich meebrengt.
4.5.
Omdat twijfel aan de medische beoordeling ontbreekt, bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.
Arbeidskundige beoordeling
4.6.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 15 januari 2021 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met de rapporten van 5 juli 2021 en 22 mei 2023 voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Appellante heeft de in die rapporten neergelegde motivering, los van de algemene stelling dat de geselecteerde functies geenszins passen bij haar belastbaarheid, in hoger beroep niet betwist. Het oordeel van de rechtbank wordt dus ook ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling onderschreven.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 53,09% in stand blijft.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2023.
(getekend) E. Dijt
(getekend) N. Zwijnenberg
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 5 van de Wet WIAGedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA
De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.