Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-12-13
ECLI:NL:CRVB:2023:2360
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,974 tokens
Inleiding
23/67 WW
Datum uitspraak: 13 december 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 november 2022, 20/1291 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Appellant heeft het Uwv verzocht terug te komen van zijn besluitvorming in 2007 en 2008 in het kader van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft dit geweigerd, met uitzondering van een boete van € 418,- die het Uwv heeft laten vallen. De Raad vindt net als de rechtbank dat het Uwv het verzoek van appellant mocht afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluitvorming.
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 november 2023. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Naar aanleiding van een aantal in maart 2017 ontvangen brieven van appellant heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2018 besloten niet terug te komen van de besluitvorming uit 2007 en 2008 in het kader van de Werkloosheidswet (WW), zoals appellant heeft verzocht. Het Uwv is alleen teruggekomen van een besluit van 16 mei 2007 waarbij appellant een boete van € 418,- is opgelegd. Het Uwv heeft het besluit van 16 mei 2007 herroepen en de boete laten vervallen. Appellant heeft tegen het besluit van 26 maart 2018 bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 2 april 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 maart 2018 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Uit de gronden van bezwaar die appellant en zijn toenmalige gemachtigde hebben ingediend, blijkt dat appellant met zijn brieven uit 2017 herziening van eerdere besluitvorming van het Uwv uit 2007 en 2008 heeft beoogd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv met het besluit van 26 maart 2018 geweigerd om van de eerdere besluitvorming terug te komen met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.2.
Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank overwogen dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden moet toetsen of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (zogenoemde nova) zijn. Het ligt daarbij op de weg van degene die om herziening verzoekt om die nova aan te voeren. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter toch, aan de hand van de beroepsgronden, tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
2.3.
In wat appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen feiten of omstandigheden gezien die dateren van na de besluiten waarvan hij herziening wenst, of niet al in het kader van rechtsmiddelen tegen die besluiten hadden kunnen worden aangevoerd. De rechtbank heeft hierin ook geen grond gezien om te oordelen dat de weigering van het Uwv om terug te komen van de eerdere besluitvorming evident onredelijk is.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het Uwv de eerdere besluitvorming uit 2007 en 2008 zou moeten herroepen omdat deze besluitvorming volgens appellant onjuist is. Volgens appellant heeft hij hierdoor nog recht op een groot bedrag aan WW-uitkering.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft daarbij aangetekend dat appellant weliswaar een groot aantal stukken heeft overgelegd, maar dat deze geen nova bevatten.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Het verzoek van appellant van maart 2017 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn eerdere besluitvorming uit 2007 en 2008. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat wat appellant ter ondersteuning van zijn verzoek heeft aangevoerd, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevat. Appellant had deze feiten en omstandigheden kunnen aanvoeren in het kader van een bezwaarprocedure tegen de besluitvorming uit 2007 en 2008. Ook heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten. Het Uwv mocht het verzoek van appellant van maart 2017 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluitvorming. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en M.L. Noort en
L.A. Kjellevold als leden, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2023.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) S. Pouw
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1374.
Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.