Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-12-05
ECLI:NL:CRVB:2023:2354
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,502 tokens
Inleiding
22/11 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2021, 20/9218 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 5 december 2023
Procesverloop
Met een besluit van 10 juni 2020 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor de kosten van een medisch expertiserapport (contra-expertise) afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 16 september 2020 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. F. Sarrari, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 september 2023. Voor appellante is mr. Sarrari verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. P. Neeleman.
Overwegingen
Samenvatting
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld, omdat zij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank over de afwijzing van haar aanvraag om bijzondere bijstand. De Raad komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat appellante hierbij geen procesbelang heeft.
Inleiding
1. In deze zaak zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft op 8 april 2020 bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet aangevraagd voor de kosten van een medische contra-expertise. Appellante wil die contra-expertise inzetten in een lopende beroepsprocedure ter verkrijging van een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij haar aanvraag heeft appellante een offerte van X B.V. gevoegd tot een bedrag van € 1.905,75.
1.2.
Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag van appellante afgewezen met het besluit van 10 juni 2020. Na bezwaar daartegen heeft het dagelijks bestuur dit besluit met het bestreden besluit gehandhaafd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van noodzakelijke kosten die voor vergoeding met bijzondere bijstand in aanmerking komen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij meent dat zij recht heeft op de aangevraagde bijzondere bijstand.
Beoordeling
4. In hoger beroep moet eerst ambtshalve de vraag worden beantwoord of appellante voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een (hoger) beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.
4.2.
Ter zitting is gebleken dat appellante in haar ANW-procedure bij de rechtbank een contra-expertise en een aanvullende reactie heeft ingebracht van X B.V. en dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij uitspraak van 29 november 2022, voor zover van belang, daarvoor aan appellante een kostenvergoeding heeft toegekend tot een bedrag van € 2.601,50. Daarmee is voorzien in de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand vroeg. Hieruit volgt dat appellante geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
4.3.
Appellante heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij toch procesbelang heeft. Zij heeft daartoe gesteld dat zij in haar ANW-procedure tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 november 2022 hoger beroep heeft ingesteld en dat zij in het kader van dat hoger beroep een nieuwe contra-expertise wil inbrengen met de van het dagelijks bestuur te verkrijgen bijzondere bijstand.
4.4.
Anders dan appellante meent betekent wat zij naar voren heeft gebracht niet dat zij procesbelang heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. Deze procedure vloeit voort uit de onder 1.1 vermelde aanvraag. Voor de bij die aanvraag opgegeven kosten van contra-expertise heeft appellante inmiddels een vergoeding ontvangen. Voor zover zij meent bijzondere bijstand nodig te hebben voor de kosten van een nieuwe contra-expertise, nu ten behoeve van het hoger beroep in de ANW-procedure, zal zij een daartoe strekkende aanvraag moeten indienen.
4.5.
Van enig ander procesbelang is niet gebleken.
Conclusie
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat appellante geen procesbelang heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk zal beoordelen.
5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2023.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) C.K. Teunissen
Onder meer uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264.
ECLI:NL:RBZWB:2022:7203.
Vergelijk de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:709.