Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-14
ECLI:NL:CRVB:2023:2293
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,545 tokens
Inleiding
19/558 PW
Datum uitspraak: 14 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2018, 18/3994 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft appellante ter voorbereiding op het onderzoek ter zitting bij brief van 14 februari 2020 vragen gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2020. Appellante is, met voorafgaande bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.
De Raad heeft het onderzoek heropend, omdat het niet volledig is geweest. De Raad heeft appellante bij brief van 6 oktober 2020 nadere vragen gesteld. Appellante heeft daarop bij brief van 22 december 2020 geantwoord. Het college heeft daarop gereageerd bij brief van 22 maart 2021.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vervolgens een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad partijen heeft bericht op 2 november 2023 dat het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb op 7 november 2023 zal worden gesloten en vandaag uitspraak zal worden gedaan.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 8 maart 2018 bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd voor de kosten van het opvragen van medische informatie bij haar behandelaars tot een bedrag van in totaal € 119,63. Zij wil die informatie overleggen in haar bezwaarprocedure op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.2.
Bij besluit van 20 maart 2018 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat de gevraagde kosten niet noodzakelijk zijn.
1.3.
Bij besluit van 16 mei 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de aanvraag achteraf heeft ingediend, dat dit betekent dat zij feitelijk bijzondere bijstand vraagt voor de aflossing van schulden en dat daarvoor geen recht op bijzondere bijstand bestaat.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het college moet worden gelezen:
“De rechtbank vindt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat de door haar verzochte kosten noodzakelijk zijn. Eiseres kan tegen een beslissing van het UWV in de WIA-procedure in beroep bij de rechtbank. Deze beroepsprocedure moet, in beginsel, als een met voldoende waarborgen omklede procedure worden beschouwd. Als eiseres desondanks kosten wenst te maken om haar bewijspositie te versterken, dienen deze kosten voor haar rekening te komen.
De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat, doordat de beroepsprocedure tegen het UWV in beginsel met voldoende waarborgen is omkleed, de kosten van eiseres niet noodzakelijk zijn en dat om die reden voor deze kosten geen bijzondere bijstand hoefde te worden verleend. Mocht, naar het oordeel van de desbetreffende bestuursrechter, eiseres zich in een substantieel ongelijke positie bevinden ten opzichte van het UWV, dan kan die bestuursrechter eiseres compensatie bieden.
Omdat verweerder op de zitting heeft aangegeven dat de motiveringen in het bestreden besluit en het verweerschrift niet juist zijn, en voor de motivering heeft verwezen naar het primaire besluit, is het beroep wel gegrond. Het bestreden besluit kan vanwege dit motiveringsgebrek niet in stand blijven en moet worden vernietigd.”
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellante heeft – kort samengevat – aangevoerd dat de rechtbank met verwijzing naar de gerechtelijke WIA-procedure ten onrechte heeft geoordeeld dat de gevraagde kosten niet noodzakelijk zijn. Appellante wilde zich in bezwaar tegenover de verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verweren met informatie van haar behandelend artsen. Volgens appellante is het oordeel van de rechtbank dat de rechter in de procedure tegen het Uwv compensatie kan bieden in geval van een substantieel ongelijke bewijspositie niet deugdelijk.
3.1.
Na heropening van het onderzoek heeft appellante naar aanleiding van door de Raad gestelde vragen – kort samengevat – aangevoerd dat de rechtspraak over wapengelijkheid ziet op de rechterlijke fase en niet de bezwaarfase en dat ter besparing van kosten een verzekeringsarts gevraagd kan worden om in bezwaar informatie op te vragen bij de behandelend sector, maar dat dit geen passende en toereikende voorziening is, omdat de verzekeringsarts van het Uwv de vraagstelling formuleert en een betrokkene daarop geen verdere invloed heeft. Volgens appellante behoudt zij een groot en gerechtvaardigd belang om zelf informatie op te vragen bij haar behandelaars en is het niet aan de wederpartij dat te doen. Bovendien bestaat het risico dat behandelaars niet kunnen of willen antwoorden of dat beantwoording niet adequaat is als een verzekeringsarts de vragen stelt. Het is daarom volgens appellante aan haar gemachtigde om in het belang van de bezwaarprocedure te bepalen of de noodzaak bestaat tot het zelfstandig opvragen van complexe en specifieke behandelinformatie en welke van de ontvangen informatie in bezwaar wel en niet zal worden ingediend en dient het college de kosten daarvan zonder of na een marginale toets te vergoeden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.3.
Tussen partijen is in geschil of de door appellante gevraagde kosten van het opvragen van medische informatie bij haar behandelaars ten behoeve van bezwaar in haar WIA-procedure noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Het ligt op de weg van appellante als aanvrager van bijzondere bijstand om die noodzaak aannemelijk te maken. Appellante is daarin niet geslaagd.
4.4.
In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad, gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. De Raad heeft daarbij overwogen dat de kern van het beginsel van de equality of arms erin is gelegen dat slechts als evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen het Uwv en de betrokkene bestaat, zal de bestuursrechter moeten waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld. De betrokkene kan in dit geval bijvoorbeeld alsnog de gelegenheid krijgen (medische) gegevens in te brengen of in de gelegenheid gesteld worden zelf een deskundige in te schakelen. Daarbij kan van de bestuursrechter worden gevergd dat deze verduidelijkt wat nodig is.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2023.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) M. Zwart
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1306.
Zie de uitspraken van 21 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1534; 25 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1992 en 29 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:809.