Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-28
ECLI:NL:CRVB:2023:2252
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,181 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 28 november 2023
20/433 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2019, 19/700 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. S. de Vries, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 20 februari 2023 heeft mr. De Vries namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.1.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.2.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken nadat het college heeft besloten dat de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2009 tot en met 1 juni 2016 wordt teruggedraaid en de daaruit voortvloeiende terugvordering ongedaan wordt gemaakt. Hiermee is aan appellante tegemoetgekomen.
1.3.
Het college is het niet eens met de gevraagde veroordeling in de proceskosten. Hiertoe voert het college aan dat appellante pas een week voor de bij de Raad geplande zitting het vonnis van de strafrechter heeft overgelegd, terwijl zij dat al veel eerder had kunnen doen. Dat vonnis van de strafrechter vormde de reden om terug te komen op de eerdere besluitvorming. Als appellante dat vonnis eerder had overgelegd, was er ook eerder en zonder gerechtelijke procedure een oplossing geweest.
1.4.
Appellante vraagt om toekenning van proceskosten. Nu de rechtbank de in eerste aanleg gemaakte proceskosten al heeft toegekend, begrijpt de Raad dat het enkel gaat om de in hoger beroep gemaakt kosten. Dat betreft een bedrag van € 837,- (één punt) in verband met het indienen van een hogerberoepschrift.
2.1.
Vastgesteld wordt dat het hogerberoepschrift op 24 januari 2020 bij de Raad is ingekomen. Het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in de strafzaak van appellante dateert van 19 maart 2021. Hoewel appellante het vonnis van de strafrechter eerder over had kunnen leggen dan zij heeft gedaan, miskent het college met zijn verweer de volgordelijkheid. Appellante had immers al een hogerberoepschrift ingediend op het moment dat het vonnis in de strafzaak werd gewezen. De met het indienen van het hogerberoepschrift gemoeide kosten hadden dus niet kunnen worden voorkomen door het strafvonnis eerder over te leggen.
Bovendien gaat het college eraan voorbij dat het een eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot de juistheid van de besluitvorming, die losstaat van het oordeel van de strafrechter.
2.2.
De Raad ziet dan ook aanleiding het college te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 837,- (één punt voor het indienen van het hogerberoepschrift).
2.3.
Ook dient het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 837,-;
bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2023.