Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-30
ECLI:NL:CRVB:2023:2244
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
874 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 30 november 2023
22/2204 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Den Haag van 4 februari 2022, 21/3364 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
In de uitspraak van 21 december 2022 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring en heeft verzet ingediend.
Het verzet is behandeld op de zitting van 19 oktober 2023. Appellant is verschenen, samen met zijn echtgenote. Namens het Uwv is niemand verschenen.
Overwegingen
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin zijn beroep niet ontvankelijk was verklaard vanwege een termijnoverschrijding. De Raad heeft het hoger beroep van appellant in de uitspraak van 21 december 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroep niet tijdig is ingediend.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend was 22 maart 2022. Het hogerberoepschrift is op 14 juli 2022 ontvangen.
De termijn voor het indienen van hoger beroep is dus overschreden.
In verzet en op de zitting heeft appellant verklaard dat hij aan verschillende beperkingen lijdt en het hem daardoor niet is gelukt om hulp te regelen. Hij kon daarom niet binnen beroepstermijn van zes weken reageren. Zijn echtgenote heeft dit op de zitting ook verklaard. Daarnaast heeft appellant diverse medische stukken ingestuurd.
Hetgeen door appellant in verzet is aangevoerd, is in feite een herhaling van wat hij eerder ook heeft gesteld en vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om te komen tot een ander oordeel dan in de uitspraak van 21 december 2022. Uit de door appellant ingestuurde documenten blijkt dat appellant psychische klachten heeft waarvoor hij wordt behandeld. Ook blijkt dat hij in 2012 enige tijd is opgenomen. Deze stukken geven geen inzicht in de periode waar de uitspraak van 21 december 2022 op ziet. In tegendeel: er zit ook een brief bij de stukken waarin de behandelmedewerker verklaard geen brief te kunnen schrijven dat hij in deze periode niet in staat was om te reageren. Ook die brief ziet trouwens op een andere periode. Daarbij komt dat de termijnoverschrijding in dit geval meerdere maanden is. Op basis van de verklaringen van appellant en zijn echtgenote is niet aannemelijk geworden dat zij in deze gehele periode niet in staat waren om hoger beroep in te stellen of daarbij hulp te zoeken. Dit alles overziende ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2023.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) I. van der Hout