Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-15
ECLI:NL:CRVB:2023:2129
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste en enige aanleg
1,380 tokens
Inleiding
21/3111 BPW
Datum uitspraak: 15 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
de erven van [naam betrokkene] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] ( [land] ) (appellanten)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Procesverloop
Met een besluit van 14 december 2020 is de aanvraag [naam betrokkene] (betrokkene, overleden op [overlijdensdatum] 2020), om aanspraken op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940 (Wbp) afgewezen.
Appellanten hebben de procedure voortgezet en tegen de afgewezen aanvraag bezwaar gemaakt. Verweerder is met een besluit van 14 juni 2021, kenmerk BZ011419406 (bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven.
Namens appellanten heeft [naam] tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 oktober 2023. Namens appellanten is [naam] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van der Wiel.
Overwegingen
Samenvatting
Betrokkene heeft verzocht om (financiële) aanspraken op grond van de Wbp. De Raad oordeelt dat in de situatie van betrokkene niet beoordeeld kan worden of bij haar sprake was van verzetsgerelateerde invaliditeit.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene, geboren in 1921, heeft in juni 2019 verzocht om toekenningen op grond van de Wbp.
1.2.
Met een besluit van 14 december 2020 heeft verweerder betrokkene meegedeeld het voldoende aannemelijk is dat zij tijdens haar onderduik verzetsactiviteiten heeft verricht en daarmee heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet. Aan betrokkene is evenwel geen buitengewoon pensioen of enige voorziening toegekend op grond van de Wbp omdat door haar overlijden geen persoonlijk onderhoud heeft kunnen plaatsvinden. De wel aanwezige medische gegevens zijn volgens verweerder onvoldoende om te kunnen oordelen over de (mate van) lichamelijke of psychische invaliditeit als gevolg van het gepleegde verzet.
1.3.
De bezwaren van appellanten tegen het besluit van 14 december 2020 zijn bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder blijft van oordeel dat zonder een persoonlijk onderhoud het vaststellen van een (verzetsgerelateerde) invaliditeit niet mogelijk is.
Beoordeling
2.1.
De Raad beoordeelt of verweerder terecht de aanvraag om toekenning van financiële aanspraken op grond van de Wbp heeft afgewezen.
2.2.
De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen die oordeel heeft.
2.3.
Anders dan namens appellanten naar voren is gebracht is het laten verrichten van een medisch onderzoek (in de vorm van een persoonlijk onderhoud met een betrokkene) vereist om vast te kunnen stellen of bij een aanvrager sprake is van (algemene) invaliditeit en welk deel van die invaliditeit is veroorzaakt door klachten die verband houden met het gepleegde verzet. De ontvangen medische informatie van dr. Cacciola en dr. Lyons (cardioloog) geeft geen volledig beeld van de gezondheid en de (on)mogelijkheden van betrokkene en is dus onvoldoende om op basis daarvan een eventuele verzetsgerelateerde invaliditeit vast te kunnen stellen. De omstandigheid dat betrokkene aanspraak ontleende aan de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) kan hier niet tot een ander oordeel leiden. De WUV ziet uitsluitend op de medische gevolgen voor betrokkene door de vervolging vanwege haar Joodse afkomst. Om financiële aanspraken te kunnen maken op de Wbp is uitsluitend van belang het medische gevolg (invaliditeit) van het door betrokkene gepleegde verzet. Deze specifieke beoordelingen maken dat de resultaten van medische onderzoeken in deze wetten niet één op één uitwisselbaar zijn.
2.4.
Het namens appellanten gevoerde betoog dat het ontbreken van een medisch onderzoek het gevolg is van een verwijtbare vertraging in de afdoening van de aanvraag en dat die vertraging op zichzelf al tot inwilliging van de aanvraag moet leiden, wordt niet gevolgd. Nog los van de vraag of vertraging al zonder meer tot inwilliging van de aanvraag zou kunnen leiden, geldt dat ten tijde van het overlijden van betrokkene de beslistermijn nog niet was verstreken. De beslistermijn was immers in overleg geschorst om de door betrokkene gelijktijdig ingediende WUV-aanvraag voortvarender te kunnen behandelen. Van een aan verweerder te verwijten vertraging is dus geen sprake.
Conclusie
3. Het beroep slaagt niet. Dat betekent dat de aanvraag van betrokkene om toekenningen op grond van de Wbp terecht is afgewezen.
4. Appellanten krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023.
(getekend) H. Lagas
(getekend) C.K. Teunissen
Artikel 13 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945.