Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-07
ECLI:NL:CRVB:2023:2102
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,949 tokens
Inleiding
22/1045 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 februari 2022, 21/3463 (aangevallen uitspraak), en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 7 november 2023
Procesverloop
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek tot vergoeding van schade gedaan. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 september 2023. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.G. Berkenbosch.
Overwegingen
Samenvatting
In geschil is of de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat appellant het dagelijks bestuur voorafgaand aan het beroep niet in gebreke heeft gesteld. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij het dagelijks bestuur op 14 juni 2021 schriftelijk in gebreke heeft gesteld en dat het college dwangsommen heeft verbeurd omdat het niet alsnog binnen twee weken na de ingebrekestelling een besluit op zijn aanvraag heeft genomen. In hoger beroep krijgt appellant geen gelijk, omdat de brief van 14 juni 2021 niet als ingebrekestelling kan worden aangemerkt. Daarnaast gaat het om een verzoek de rechtbank te veroordelen tot het vergoeden van schade. De Raad is daartoe niet bevoegd.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Op 4 april 2021 heeft appellant bij Werk en Inkomen Lekstroom een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend.
1.2.
Bij brief van 14 juni 2021 heeft appellant aan het dagelijks bestuur het volgende medegedeeld:
“Via internet dd 4 april j.l. heb ik u benaderd met enkele verzoeken. Ik verwijs kortheidshalve naar de inhoud van het verzoek. Tot op heden heb ik nog geen inhoudelijke reactie mogen ontvangen. Bij deze dring ik dan ook aan om het verzoek voortvarend te behandelen.”
1.3.
Bij besluit van 13 augustus 2021, met verzenddatum 16 augustus 2021, heeft het dagelijks bestuur de aanvraag bijzondere bijstand van 4 april 2021 afgewezen.
1.4.
Op 14 augustus 2021 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld omdat het dagelijks bestuur niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag bijzondere bijstand van 4 april 2021.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verstuurd. De brief van 14 juni 2021 is niet als zodanig aan te merken.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De niet-ontvankelijkverklaring
4.3.1.
Uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb volgt dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit pas kan worden ingediend zodra er twee weken zijn versteken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. In geschil is of appellant het dagelijks bestuur met de brief van 14 juni 2021 in gebreke heeft gesteld.
4.3.2.
Van een ingebrekestelling is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. Dit is vaste rechtspraak.
4.4.
De brief van 14 juni 2021 is geen ingebrekestelling. Weliswaar is duidelijk welke aanvraag appellant in de brief van 14 juni 2021 aan de orde stelt, maar uit de brief kan niet worden afgeleid dat appellant zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. Daarvoor is de woordkeuze te vrijblijvend. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Dwangsommen
4.5.
Omdat geen sprake is van een ingebrekestelling, is het college – anders dan appellant stelt – ook geen dwangsommen verschuldigd. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is het college immers pas dwangsommen verschuldigd na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
Het verzoek om schadevergoeding
4.6.
Op basis van het dossier en wat ter zitting is besproken concludeert de Raad dat het verzoek van appellant om vergoeding van schade betrekking heeft op ambtsmisbruik en/of onrechtmatig handelen door de rechtbank. Appellant stelt daardoor tot € 50.000,- schade te hebben geleden. Over dit verzoek om de rechtbank te veroordelen tot schadevergoeding wordt het volgende overwogen.
4.6.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
4.6.2.
Op grond van artikel 1.1, tweede lid, onder c, van de Awb kan de rechtbank niet als bestuursorgaan in de zin van de Awb worden aangemerkt, behoudens de hier niet aan de orde zijnde uitzondering bedoeld in het derde lid van dat artikel. Omdat de rechtbank in deze zaak niet als bestuursorgaan heeft gehandeld is de Raad, gelet op 4.6.1, niet bevoegd wat betreft het verzoek de rechtbank te veroordelen tot vergoeding van schade.
Conclusie
5.1.
Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring in stand blijft en dat het college geen dwangsommen verschuldigd is. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De Raad is onbevoegd wat betreft het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade. Dit betekent dat de Raad dat verzoek niet kan behandelen.
5.2.
Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
verklaart zich onbevoegd wat betreft het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.J. Janssen en S.T.P.H. Palmen-Schlangen als leden, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) N. van der Horn
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:1:
1. Onder bestuursorgaan wordt verstaan:
a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of
b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.
2. De volgende organen, personen en colleges worden niet als bestuursorgaan aangemerkt:
(…)
c. onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, alsmede de Raad voor de rechtspraak en het College van afgevaardigden.
(...)
Artikel 4:17:
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4. Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel 4:3a van overeenkomstige toepassing op de ingebrekestelling.
5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.
Artikel 6:12:
1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit (...) is het niet aan een termijn gebonden.
2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
(...).
Artikel 8:88, eerste lid:
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:a. een onrechtmatig besluit;b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;c. het niet tijdig nemen van een besluit;d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2320.