Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-08
ECLI:NL:CRVB:2023:2093
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,748 tokens
Inleiding
22/769 WW
Datum uitspraak: 8 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 februari 2022, 20/2799 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Met een besluit van 7 november 2019 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2011 herzien en de over die periode onverschuldigd betaalde WW-uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht tot een bedrag van € 40.182,79 (bruto) van appellante teruggevorderd.
Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 1 oktober 2020 (bestreden besluit) bij de herziening en de terugvordering van de WW-uitkering gebleven.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M. Degelink hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 oktober 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. D.W. Dimitrakarakos, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
Samenvatting
Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellante heeft herzien en de al betaalde WW-uitkering van appellante heeft teruggevorderd, omdat appellante het Uwv niet heeft geïnformeerd over haar werkzaamheden voor een stichting. Appellante heeft betwist dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Verder heeft appellante betwist dat de werkzaamheden die zij heeft verricht als in het economisch verkeer op geld waardeerbare arbeid moeten worden aangemerkt. De Raad volgt de standpunten van appellante niet.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2011 een uitkering op grond van de WW ontvangen.
1.2.
Op 17 september 2008 is de Stichting [Naam stichting] opgericht. Appellante was één van de twee bestuurders van deze stichting. Met ingang van 1 juli 2011 is appellante op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij de stichting in dienst getreden voor ongeveer 20 uur per week. Onderdeel van de overeenkomst was onder meer dat zij werkzaam was als bestuurder. Per 1 november 2017 is de arbeidsovereenkomst van appellante overgenomen door de Stichting [Naam stichting] (de stichting).
1.3.
Op 26 maart 2019 zijn beide stichtingen in staat van faillissement verklaard. Op
27 maart 2019 heeft de curator van de stichting de arbeidsovereenkomst met appellante opgezegd.
1.4.
Op 13 april 2019 heeft appellante een uitkering wegens betalingsonmacht van de werkgever op grond van hoofdstuk IV van de WW bij het Uwv aangevraagd. Bij besluit van 16 september 2019 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Het Uwv heeft zich, voor zover relevant, op het standpunt gesteld dat appellante niet als werknemer in de zin van artikel 3 van de WW kan worden beschouwd, omdat er geen gezagsverhouding bestond tussen appellante en de stichting als werkgever. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.5.
Naar aanleiding van een interne melding is het Uwv een onderzoek gestart naar de vraag of appellante als werknemer in de zin van artikel 3 van de WW kon worden aangemerkt. Dit onderzoek is uitgebreid tot de vraag naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte WW-uitkering over de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2011. In het kader van dit onderzoek zijn Suwinet, de geautomatiseerde systemen van het Uwv en externe bronnen geraadpleegd, is informatie ingewonnen bij de curator op 27 juni 2019 en is appellante gehoord op 31 juli 2019. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 13 september 2019. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek heeft het Uwv de besluiten genomen zoals hiervoor vermeld onder procesverloop.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW (zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2015) geoordeeld dat het Uwv de door appellante verrichte werkzaamheden voor de stichting terecht als op geld waardeerbare arbeid en niet als vrijwilligerswerk heeft aangemerkt. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellante bestuurslid was van een stichting die als oogmerk had om een woonvorm op te zetten en te exploiteren voor dementerende mensen. De werkzaamheden van appellante waren, gelet op wat zij daarover op 31 juli 2019 in het onderzoek van het Uwv heeft verklaard, uitsluitend daarop gericht. Zo voerde appellante gesprekken met toekomstige bewoners en familieleden, was zij aanwezig bij sollicitatiegesprekken met toekomstige personeelsleden van de woonvorm en stelde zij dienstroosters op. Dat appellante voor haar werkzaamheden niet werd betaald en dat zij deze werkzaamheden zelf als vrijwilligerswerk beschouwde, acht de rechtbank hierbij niet van belang. De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of appellante de brief van 7 januari 2010, waarmee zij stelt de werkcoach over de werkzaamheden voor de stichting te hebben geïnformeerd, heeft verzonden, omdat het Uwv van appellante mocht verwachten dat zij hem op eigen initiatief nader en concreter zou hebben geïnformeerd over de aard van de werkzaamheden die zij als bestuurslid van de stichting verrichtte en hoeveel tijd daarmee gemoeid ging. Alleen dan had het Uwv kunnen beoordelen of de werkzaamheden van appellante daadwerkelijk vrijwilligerswerk betroffen en dus met behoud van de WW-uitkering konden worden verricht. De rechtbank is van oordeel dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
2.2.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen over het standpunt van appellante dat het Uwv niet aan de opdracht van de rechtbank bij de schorsing van het onderzoek heeft voldaan om alle beschikbare informatie in te brengen over de contacten tussen appellante en het werkbedrijf in de periode van 1 januari 2010 tot 1 juli 2011. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat in de stukken die het Uwv wél heeft ingebracht en die zien op de contacten tussen appellante en het Uwv in de periode van 1 januari 2010 tot
1 juli 2011 niets is terug te vinden over nadere mededelingen van appellante over het verloop en de aard van de werkzaamheden van appellante als bestuurder van de stichting.
2.3.
De rechtbank is, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, van oordeel dat het Uwv met de schatting, die is gebaseerd op de verklaringen die appellante op 31 juli 2019 tegenover de themaonderzoeker van het Uwv heeft afgelegd, aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de door het Uwv gestelde omvang werkzaamheden heeft verricht. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar citaten uit de verklaringen die appellante op 31 juli 2019 over de omvang van de werkzaamheden heeft afgelegd. In de reactie van 9 augustus 2019 heeft appellante hierin geen wijzigingen aangebracht. De schatting van het Uwv kan naar het oordeel van de rechtbank plausibel worden geacht, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat appellante geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat het overzicht van het aantal gewerkte uren dat zij in bezwaar heeft ingebracht (naar de rechtbank begrijpt gemiddeld 3,25 uur per week in de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2011) in grote mate afwijkt van wat zij op 31 juli 2019 heeft verklaard.
2.4.
De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv de verklaringen van 31 juli 2019 niet ten grondslag mocht leggen aan de besluitvorming. De rechtbank heeft het voorstelbaar geacht dat onderzoek is gedaan naar de totstandkoming van de stichting en de situatie voorafgaand aan de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst tussen appellante en de stichting van 1 juli 2011. Het Uwv achtte het bij de beoordeling van de aanvraag van appellante voor een faillissementsuitkering relevant of appellante als werknemer in de zin van de WW kon worden beschouwd. De rechtbank heeft daarnaast geen reden gezien om te oordelen dat bij aanvang van het gesprek appellante de cautie had moeten worden geven. Het doel van het gesprek was niet om appellante te verhoren in het licht van een op te leggen sanctie of boete. Op het moment dat appellante verklaarde dat zij al voor 1 juli 2011 werkzaamheden voor de stichting verrichtte bestond er aanleiding om de cautie te geven, wat de onderzoekers van het Uwv meteen hebben gedaan. Eerst daarna heeft appellante de verklaringen afgelegd die het Uwv aanleiding hebben gegeven tot herziening van de WW-uitkering over 2010 en 2011.
Beoordeling
4.1.
Artikel 8, eerste lid, van de WW luidde tot 1 januari 2015 als volgt:
Een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd, behoudt de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.
4.2.
Het besluit tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering van appellante is een belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in dit geval feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellante in de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2011 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij de stichting in de door het Uwv gestelde omvang en dat zij door dit niet te melden de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellante om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
4.3.
Onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest, moet volgens vaste rechtspraak van de Raad worden verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht.
4.4.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.5.
Ter zitting heeft appellante aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Anders dan appellante stelt, kan zij aan haar tegenover de onderzoeker van het Uwv afgelegde verklaring van 31 juli 2019 worden gehouden. Appellante heeft ook in hoger beroep niet aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat deze verklaring voor onjuist moet worden gehouden. Verder leidt de door appellante ter zitting gegeven nadere toelichting op de omvang van haar werkzaamheden niet tot het oordeel dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Appellante heeft ook in hoger beroep geen verifieerbare gegevens overgelegd van de omvang van haar werkzaamheden, zodat van de juistheid van de schatting van het Uwv wordt uitgegaan.
4.6.
In wat appellante nader heeft aangevoerd over de aard van de werkzaamheden die zij heeft verricht, wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar het onderzoeksrapport van 13 september 2019, geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden die appellante in de periode van 1 januari 2010 tot en met
3 juli 2011 heeft verricht als in het economisch verkeer op geld waardeerbare arbeid moeten worden aangemerkt.
4.7.
Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden, nu appellante aan het Uwv geen mededeling heeft gedaan van haar werkzaamheden tijdens de ontvangst van haar WW-uitkering.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de handhaving bij het betreden besluit van het besluit tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering van appellante over de periode van 1 januari 2010 tot en met 3 juli 2011 in stand blijft.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en S. Slijkhuis als leden, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 8 van de Werkloosheidswet.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) D. Schaap
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3766.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2377.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7382.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2578.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1678.