Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-01
ECLI:NL:CRVB:2023:2089
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,351 tokens
Inleiding
22 2768 WIA
Datum uitspraak: 1 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 14 juli
2022, 21/2217 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.
Overwegingen
1.1.
Appellant is sinds 10 oktober 2016 werkzaam als taxichauffeur voor gemiddeld 36,15 uur per week voor [Naam werkgever], per 1 juli 2018 overgegaan in [Naam B.V.] , op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (een MUP-overeenkomst).
1.2.
In artikel 10 en 11 van de arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:Artikel 10: Vakantie
10.1
Aan de werknemer wordt een recht op vakantiedagen toegekend naar evenredigheid
van het aantal gewerkte uren. Uitgangspunt daarbij is een recht op vakantie van
25 werkdagen per vakantiejaar (lopend van januari tot januari). Gezien het onregelmatige karakter van de werkzaamheden zal iedere maand aan de hand van de gewerkte uren berekend worden op hoeveel vakantiedagen de werknemer recht heeft.
10.2
De vakantierechten worden maandelijks afgerekend. De uitbetaling geschied
gelijktijdig met de uitbetaling van het salaris.
Artikel 11: Vakantietoeslag
11.1
Aan de werknemer zal 8% van zijn brutosalaris als vakantietoeslag worden uitgekeerd.
11.2
De uitkering van de vakantietoeslag zal maandelijks plaats vinden. De uitbetaling
geschied gelijktijdig met de uitbetaling van het salaris.
1.3.
Appellant is op 9 februari 2019 vanwege ziekte voor deze werkzaamheden uitgevallen.
1.4.
Het Uwv heeft bij besluit van 1 februari 2021 geweigerd om appellant met ingang van 6 februari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.5.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 15 september 2021 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 februari 2021 gegrond verklaard en hem alsnog met ingang van 6 februari 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Het WIA-dagloon is vastgesteld op € 91,15, waarbij is uitgegaan van een referteperiode van 1 februari 2018 tot en met 31 januari 2019.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv terecht is uitgegaan van de gegevens uit de polisadministratie. Appellant heeft geen stukken overgelegd die aanleiding zijn om te concluderen dat de door het Uwv gebruikte gegevens uit de polisadministratie over het opgegeven SV-loon en het opgenomen verlof onjuist zijn. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een all-in loon. Uit de loonstroken blijkt dat het vakantiegeld en de vakantiedagen elke maand werden uitbetaald. De stelling van appellant dat er geen sprake was van een all-in verloning, omdat hij (ten onrechte) geen rechten opbouwde tijdens verlof heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor een andere conclusie. De rechtbank heeft gewezen op de bepalingen in de afroepovereenkomst waaruit blijkt dat appellant alleen voor de gewerkte uren werd betaald en dat over de gewerkte uren vakantietoeslag werd betaald en vakantieaanspraken werden opgebouwd. Daaruit volgt logischerwijs dat tijdens verlof geen vakantierechten werden opgebouwd. Tijdens verlof werkte appellant immers niet en maakte hij geen aanspraak op salaris en vakantierechten. De rechtbank heeft er tevens op gewezen dat deze afspraken zijn vastgelegd in de afroepovereenkomst waarmee appellant heeft ingestemd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op artikel 17 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) niet slaagt. Appellant voldoet niet aan de omschrijving van het begrip verlof in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Dagloonbesluit. Er is geen sprake van een overeenkomst tussen appellant en de werkgever waarin afspraken over de periode en omvang van het niet verrichten van arbeid zijn neergelegd. Bovendien heeft appellant de vakantie die hij heeft opgenomen in augustus 2018 eerder al uitbetaald gekregen. Met zijn vakantierechten is dus al voldoende rekening gehouden door uit te gaan van een all-in loon en het hanteren van factor C, als bedoeld in artikel 16, eerste lid van het Dagloonbesluit.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het dagloon onjuist is vastgesteld. Volgens appellant was geen sprake van een all-in loon, omdat in het loon niet alle componenten opgenomen waren. Zo bouwde appellant geen vakantierechten over opgenomen vakantiedagen op. Daardoor heeft hij nog recht op uitbetaling van opgebouwde vakantiedagen over deze dagen. Bovendien is hij in strijd met de cao door zijn werkgever niet in de gelegenheid gesteld om de in de cao opgenomen keuzemogelijkheid met betrekking tot het moment van uitbetalen van de vakantietoeslag en vakantiedagen te benutten. Aanvankelijk heeft de werkgever appellant geen toestemming verleend voor het opnemen van vakantie in augustus 2018. Uiteindelijk heeft de werkgever ingestemd met het verzochte verlof gedurende twee weken waarin appellant geen loon zou krijgen. Volgens appellant is er dan ook sprake van verlof na bereikte overeenstemming over het opnemen van dat verlof. Er is in dit geval sprake van een situatie als omschreven in de uitspraak van de Raad van 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:390. Omdat appellant in het aangiftetijdvak augustus 2018 minder loon heeft genoten in verband met verlof had artikel 17, eerste lid, van het Dagloonbesluit moeten worden toegepast. Ook beroept appellant zich op de artikelen 2 en 3 van de Beleidsregels Uwv gebruik polisgegevens 2018 op grond waarvan het Uwv gehouden was nader onderzoek te doen naar het bestaan van een incidentele inkomensvermindering opdat de hoogte van het dagloon een reëel beeld geeft. Door het achterwege blijven van een dergelijk onderzoek is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Voor het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar 3.1 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de dagloonberekening juist is en spitst zich toe op de vraag of de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat het Uwv bij de dagloonberekening terecht is uitgegaan van een all-in loon.
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank, dat sprake is van all-in loon waarin zowel het vakantiegeld als vakantierechten zijn inbegrepen, en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Gelet op de bepalingen in de MUP-overeenkomst worden de vakantietoeslag en de vakantiedagen berekend naar rato van het aantal gewerkte uren en wordt het uit te betalen uurloon verhoogd met de vakantiedagen en vakantietoeslag. Gelet op voornoemde systematiek in de MUP-overeenkomst is van een door appellant gestelde inkomensvermindering als gevolg van opgenomen verlof in augustus 2018 geen sprake. Evenmin is sprake van een situatie zoals beschreven in de uitspraak van de Raad van 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:390, waarop appellant zich heeft beroepen. Het feit dat sprake is van all-in loon brengt mee dat appellant, anders dan hij heeft gesteld, geen vakantierechten opbouwt tijdens verlof.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en J.D. Streefkerk als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Geurtsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2023.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) A.M. Geurtsen