Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-11-01
ECLI:NL:CRVB:2023:2048
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,592 tokens
Inleiding
21 886 WIA
Datum uitspraak: 1 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 januari 2021, 20/886 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.A.H. Theunissen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek laten verrichten door M.J. Gerritze, verzekeringsarts van Triage, en het daarvan opgemaakte onderzoeksrapport van 30 juni 2021 ingediend, dat is aangevuld met een rapport van 13 juli 2021.
Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van 29 juli 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft prof. dr. J.W. Deckers, cardioloog, als onafhankelijk deskundige benoemd. De deskundige heeft op 26 september 2022 rapport uitgebracht.
Partijen hebben hun zienswijzen ingediend en nadere stukken ingediend.
De deskundige heeft op verzoek van de Raad aanvullend gerapporteerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Theunissen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als buschauffeur personenvervoer voor 27,5 uur per week. Op 17 september 2017 heeft appellant zich ziek gemeld met vermoeidheidsklachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 19 juli 2019 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 juli 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend.
1.2.
Bij besluit van 7 augustus 2019 heeft het Uwv appellant met ingang van 15 september 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat hij met ingang van die datum 48,79% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 januari 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 13 december 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 20 december 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen het slaapprobleem en de kortademigheid van appellant hebben onderkend en daarvoor ook beperkingen hebben aangenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen en geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de verzekeringsartsen de ernst van zijn klachten hebben onderschat. De door appellant overgelegde verklaring van zijn longarts heeft onvoldoende aanleiding gegeven voor een ander oordeel. Hoewel hierin staat dat de medicatie van appellant is verhoogd, blijkt daar ook uit dat zijn longfunctie niet is verslechterd sinds 2017. Verder heeft de rechtbank overwogen dat geen aanknopingspunt bestaat voor het oordeel dat deze beoordeling van de arbeidsdeskundige onjuist of onzorgvuldig is geweest. Appellant heeft geen aanknopingspunten geleverd voor zijn stelling dat hij vanwege zijn slaaptekort zou 'wegzakken' tijdens de geselecteerde functies, zo heeft de rechtbank overwogen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen door de verzekeringsartsen van het Uwv. Appellant acht zich niet in staat tot het verrichten van de geselecteerde functies. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant rapporten van 30 juni 2021 en 13 juli 2021 van Gerritze, verzekeringsarts van medisch adviesbureau Triage ingediend. Volgens Gerritze is sprake van jarenlang aanwezige klachten van angina pectoris die samenhangen met microvasculair vaatlijden. Gerritze ziet aanleiding voor aanvullende beperkingen op de FML van 15 juli 2019, waaronder een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en een rapport van 29 juli 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij onder meer gesteld dat microvasculair vaatlijden niet is aangetoond.
3.3.
Appellant heeft een brief van 14 september 2021 van een cardio-thoracaal chirurg en een rapport van 29 september 2021 van Gerritze ingediend.
3.4.
Het Uwv heeft hierop gereageerd met een rapport van 11 november 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
3.5.
Appellant heeft een rapport van 3 december 2021 van Gerritze en een brief van 16 juni 2021 van de behandelend cardioloog ingediend.
3.6.
De Raad heeft in het verschil van inzicht tussen Gerritze en de verzekeringsarts bezwaar en beroep en gelet op de brieven van de cardio-thoracaal chirurg en van de cardioloog, aanleiding gezien om prof. dr. J.W. Deckers te benoemen als onafhankelijk deskundige (deskundige). De deskundige heeft op 26 september 2022 een rapport opgesteld, waarin hij – kort gezegd – heeft vastgesteld dat het redelijk lijkt om bij appellant op de datum in geding uit te gaan van het bestaan van angina pectoris klasse II. De deskundige heeft verder vastgesteld dat geen sprake is van microvasculair vaatlijden.
3.7.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van 14 oktober 2022 van een arts bezwaar en beroep, geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om de FML aan te passen.
3.8.
Appellant heeft aangegeven dat hij zich niet kan vinden in het rapport van de deskundige. Appellant heeft stukken van zijn behandelend cardiologen over de periode van 2011 tot en met 2022 ingediend. Appellant heeft een reactie van 30 maart 2023 van zijn behandelend cardioloog op het rapport van de deskundige ingediend. De behandelend cardioloog heeft gesteld dat sprake is van microvasculair lijden. Appellant heeft gesteld dat met de vaststelling van geringe ischemie, microvasculair lijden moet worden aangenomen. Daarnaast heeft appellant aangegeven dat de deskundige ten onrechte niet is ingegaan op de omvang van de belastbaarheid.
3.9.
Op verzoek van de Raad heeft de deskundige in reactie op de zienswijzen en nadere stukken nader gerapporteerd op 7 december 2022, 13 februari 2023 en 2 mei 2023.
3.10.
Het Uwv heeft een reactie van 5 september 2023 van de arts bezwaar en beroep ingediend.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 15 september 2019 heeft vastgesteld op 48,79%. Het geschil in hoger beroep heeft zich in het bijzonder toegespitst op de vraag of in de FML van 15 juli 2019 in voldoende mate rekening is gehouden met de ernst van de cardiale klachten van appellant en de daaruit volgende beperkingen.
4.3.
De deskundige heeft in zijn rapport van 26 september 2022 en in zijn aanvullingen daarop naar aanleiding van de zienswijze en nadere stukken van appellant, geconcludeerd dat er afwijkingen in de kransslagaders zijn die de angineuze klachten voor een deel kunnen verklaren. Er is geen zuurstoftekort van het hart vastgesteld en de functie van het hart is ongestoord. In die zin vormt de cardiale toestand volgens de deskundige geen goede verklaring voor de vermoeidheid van appellant en bestaat er een zekere discrepantie tussen de aanzienlijke ernst van de klachten en geringe mate van coronaire afwijkingen. Deze toestand was volgens de deskundige ook van toepassing op de datum 15 september 2019. De classificatie van de ernst van de angina pectoris in 2019 kan volgens hem redelijkerwijs gesteld worden op klasse II (klachten bij zwaardere inspanning). Naar het oordeel van de deskundige is de beoordeling door de verzekeringsarts Gerritze, zoals geformuleerd in de brief 30 juni 2021, achterhaald door de bevindingen en conclusies zoals gerapporteerd door de cardio-chirurg een paar maanden later.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van K.M. Geerman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2023.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) K.M. Geerman