Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-10-11
ECLI:NL:CRVB:2023:1950
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,010 tokens
Inleiding
223545 ANW-PV
Datum uitspraak: 11 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2020, 20/845 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Turkije (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: S.S. Blok
Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. Starreveld.
Dictum
Met een besluit van 18 februari 2013 heeft de Svb geweigerd aan appellant een nabestaandenuitkering toe te kennen op de grond dat appellant ten tijde van het overlijden van zijn echtgenote op 4 oktober 2012 niet meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Deze weigering is tot in hoogste aanleg in stand gebleven.
In januari 2019 en februari 2021 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een nabestaandenuitkering gedaan. Deze aanvragen zijn door de Svb opgevat als een verzoek om herziening van de eerdere afwijzing als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Svb heeft geweigerd zijn afwijzende besluit te herzien.
Op 30 augustus 2021 heeft appellant opnieuw een nabestaandenuitkering aangevraagd. Ook deze aanvraag is door de Svb opgevat als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb van het eerdere afwijzende besluiten. Bij besluit van 14 oktober 2021, in stand gelaten bij het bestreden besluit van 8 maart 2022, heeft de Svb ook dit verzoek afgewezen. Volgens de Svb heeft appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd en is de eerdere afwijzing ook niet onmiskenbaar onjuist.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb terecht geconstateerd dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot herziening van het eerdere besluit moeten leiden. Uit het medisch rapport van 19 september 2019 blijkt niet dat appellant bij het overlijden van zijn echtgenote meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Ook is het eerdere besluit niet onmiskenbaar onjuist. Appellant heeft weliswaar gesteld dat de besluitvorming door de Svb in strijd is met het NTV, maar dit niet verder uitgewerkt en onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen grond het bestreden besluit voor onjuist te houden. Nu er geen onrechtmatig besluit is, is er ook geen aanleiding het verzoek tot vergoeding van schade te honoreren.
Appellant herhaalt in hoger beroep dat hij wél recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat uit een medisch rapport opgemaakt in Turkije zou blijken dat hij minstens 48% arbeidsongeschikt is. Ook stelt hij dat de afwijzing van een nabestaandenuitkering in strijd is met het NTV en dat hij geen inkomen heeft. Tot slot stelt hij recht te hebben op vergoeding van materiële en immateriële schade, omdat de Svb ten onrechte de hem toekomende nabestaandenuitkering niet heeft uitbetaald.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dit berust. Nu de Svb geen onrechtmatig besluit heeft genomen, heeft de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) S.S. Blok (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
14/418 ANW, 24 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2517.
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid.