Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-09-28
ECLI:NL:CRVB:2023:1837
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,200 tokens
Inleiding
21/4412 WAJONG
Datum uitspraak: 28 september 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
4 november 2021, 19/1802 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H. Tadema, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2023. Appellante is verschenen, vergezeld door begeleiders en bijgestaan door mr. Tadema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
Overwegingen
1.1.
Appellante, geboren op [Geboortedatum] 1997, was laatstelijk werkzaam als kapster en is op 20 juli 2017 uitgevallen met rug- en beenklachten en psychische klachten. Het Uwv heeft haar in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft er een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Het Uwv heeft de ZW-uitkering per 7 mei 2018 beëindigd omdat appellante met ingang van 31 oktober 2017 meer dan 65% van het maatmanloon kan verdienen.
1.2.
Appellante heeft met een door het Uwv op 23 november 2018 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 8 februari 2019 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante over arbeidsvermogen beschikt.
1.3.
Bij besluit van 22 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellante tegen het besluit van 8 februari 2019 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig was.
2.2.
De rechtbank heeft over de medische beoordeling als volgt overwogen. De verzekeringsarts is bij appellante uitgegaan van de diagnoses zoals deze zijn gesteld
door de behandelaar van appellante. Er is bij haar sprake van rugpijn aspecifiek chronisch, PTSS en een emotionele instabiele/borderline persoonlijkheid. Bij zijn beoordelingen heeft de verzekeringsarts betrokken dat appellante tussen 2013 en 2016 werkzaam is geweest als kapster. Zij heeft daarnaast een MBO niveau 2 opleiding gevolgd, namelijk een kappersopleiding, en het diploma daarvoor behaald. De klachten zoals die door appellante worden ervaren, bestonden al op het moment dat het Uwv een EZWb verrichte op
16 oktober 2017. Zowel psychisch als somatisch zijn er geen andere diagnoses gesteld dan op dat moment. Daarom kan volgens de verzekeringsarts worden uitgegaan van de belastbaarheid zoals die destijds is vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Als gevolg van haar klachten ondervindt appellante beperkingen op het gebied van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. De arbeidsdeskundige heeft zich in zijn rapport van 7 februari 2019 op het standpunt gesteld dat bij appellante sprake is van arbeidsvermogen. Uit overleg met de verzekeringsarts is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn voor een andere belastbaarheid dan ten tijde van de EZWb. Er kan bij de FML uit die procedure worden aangesloten voor de belastbaarheid. Aan de hand van de FML zijn destijds functies geduid. De geschiktheid voor de functies impliceert dat appellante tenminste vier uur belastbaar is en een uur aaneengesloten kan werken. Het impliceert tevens dat appellante beschikt over basale werknemersvaardigheden en een taak kan uitvoeren.
2.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de informatie die appellante bij haar
bezwaarschrift heeft verstrekt bij de beoordeling betrokken, evenals de tijdens de hoorzitting verkregen informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van de diagnoses PTSS, emotioneel instabiele/borderline persoonlijkheidsstoornis, ADHD en rugpijn aspecifiek chronisch.
2.4.
Appellante heeft aangevoerd dat haar behandelaar heeft geweigerd haar verder te behandelen en dat daarom geen intensieve behandeling meer plaatsvindt. Dit aspect is volgens appellante niet meegewogen bij de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het verweerschrift van 2 april 2020 met juistheid is vermeld dat het stoppen van de intensieve behandeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 20 augustus 2019 is betrokken en dat dat heeft geleid tot de conclusie dat er geen sprake meer was van verminderde beschikbaarheid, zoals eerder (FML van 14 maart 2018) was aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij brief van 31 maart 2020
gereageerd op de medische informatie die in beroep is overgelegd: uit die reactie blijkt dat de
diagnoses PTSS, borderline persoonlijkheidsstoornis en ADHD bekend waren en dat er geen
nieuwe medische feiten zijn ingebracht.
2.5.
Bij brief van 15 oktober 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op het rapport van Schellevis en het betoog van appellante dat haar verstandelijke beperking
onvoldoende bij de beoordeling is betrokken. In haar reactie heeft deze verzekeringsarts
opgemerkt dat het vastgestelde IQ van appellante een deel van het gedrag en de problemen van appellante verklaart. Zij merkt wel op dat het erg laag lijkt, gezien de opleidingen die appellante heeft gevolgd en afgerond, waaronder de vmbo-basis en de mbo-opleiding-kapper. Daarnaast heeft zij een jaar als kapster gewerkt, waarmee zij heeft aangetoond arbeidsvermogen te hebben gehad op haar achttiende jaar. De belastbaarheid is daarom niet wezenlijk veranderd ten opzichte van 2018. Appellante heeft daarom arbeidsvermogen zoals bedoeld in artikel la:1 van de Wajong. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv kan worden gevolgd in de medische beoordeling zoals die hiervoor is weergegeven.
2.6.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellante een taak kan
uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Uit de informatie van de verzekeringsarts bezwaar en
beroep blijkt namelijk dat zij tenminste een uur aaneengesloten en minstens vier uur per dag kan werken. Zij beschikt voorts over basale werknemersvaardigheden. Dit blijkt uit de
omstandigheid dat zij geruime tijd als kapster heeft gewerkt. Appellante heeft haar betoog dat zij geen basale werknemersvaardigheden heeft onvoldoende onderbouwd. Voor zover zij in dit kader heeft verwezen naar het incident tussen haar en haar voormalig behandelaar overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende is, omdat hieruit niet valt af te leiden dat zij geen basale werknemersvaardigheden heeft.
2.7.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft
gesteld dat appellante arbeidsvermogen bezit. De aanvraag van een Wajong-uitkering is daarom terecht afgewezen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv geen Amber-beoordeling heeft gedaan op grond van artikel 1a:1, tweede lid, van de Wajong. Ter zitting heeft appellante in dat kader aangevoerd dat op de datum van de aanvraag sprake was van een verslechtering van haar gezondheidssituatie.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 maart 2022, verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) S.C. Scholten