Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-09-26
ECLI:NL:CRVB:2023:1825
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
930 tokens
Inleiding
232153 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2022, 21/571 PW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 26 september 2023
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2023. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet bedoeld om een hernieuwde discussie over de desbetreffende uitspraak te voeren of te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen.
Dit kan alleen indien is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft verzoeker er in de uitnodiging voor de zitting op gewezen dat herziening van een uitspraak op grond van dat artikel alleen mogelijk is op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest.
Herziening kan dus alleen plaatsvinden als er feiten en omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, die verzoeker niet bekend waren en ook niet bekend konden zijn en – als ze voor de uitspraak wel bekend zouden zijn geweest – tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij de uitnodiging voor de zitting van 21 juni 2022 niet heeft gezien en dat hij daardoor zijn hoger beroep niet op de zitting heeft kunnen toelichten. Ook heeft verzoeker aangevoerd dat zijn aanvraag om bijstand ten onrechte is afgewezen, omdat hij wel aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Hij heeft veel schulden opgebouwd, terwijl hij recht had op bijstand.
Wat verzoeker heeft aangevoerd zijn geen feiten en omstandigheden als in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn bedoeld. Verzoeker wil in feite een hernieuwde discussie over de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2022. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het middel van herziening daar niet toe kan strekken. De Raad is alleen bevoegd om tot herziening van een uitspraak over te gaan, op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Op andere gronden, zoals procedurele gronden of de gevolgen van de besluitvorming voor verzoeker, is dit niet mogelijk.
De Raad wijst het verzoek om herziening daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Zoals ter zitting aan appellant is toegelicht, is de uitnodiging voor de zitting van 21 juni 2022 aangetekend aan appellant verzonden naar het juiste adres. De uitnodiging is niet retour gekomen. Daarom is er ook geen reden om de uitspraak vervallen te verklaren.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) K.M.P. Jacobs