Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-30
ECLI:NL:CRVB:2023:1670
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,684 tokens
Inleiding
22 373 WAJONG
Datum uitspraak: 30 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2022, 20/4351 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2023. Namens appellante is mr. Gümüs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.
Overwegingen
1. Appellante, geboren op [geboortedag] 1979, heeft met een door het Uwv op 18 november 2019 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellante heeft psychische en fysieke klachten. Bij besluit van 24 januari 2020, heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat de klachten van appellante in 2003, en daarmee na het achttiende jaar van appellante, zijn ontstaan zodat zij niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt.
1.2.
Bij besluit van 4 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 januari 2020 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beoordeling van de aanspraken van appellante plaats dient te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) aangezien appellante is geboren in 1979. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is. Uit de medische informatie blijkt dat appellante in 2003 ziek is geworden. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de gezondheidstoestand van appellante op de data in geding en het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker vast is te stellen, deze omstandigheden voor risico van appellante komen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 5 en 6 van de AAW, omdat zij al voor haar zeventiende geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was ten gevolge van ziekte. De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeerde in haar jeugd. Appellante had door haar psychische klachten geen realiteitsbesef en heeft zich aan zorg onttrokken. Daarom is er geen medische informatie beschikbaar van voor het zeventiende jaar van appellante, wat niet wegneemt dat zij deze klachten wel had voor haar zeventiende. Ook heeft zij wel geprobeerd te studeren en te werken maar zij heeft haar werk door haar klachten moeten staken.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Met juistheid heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat, gelet op de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, en gelet op het feit dat appellante geboren is op [geboortedag] 1979, het beoordelingskader van de AAW van toepassing is.
4.1.2.
Op grond van artikel 5 van de AAW zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
4.1.3.
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij zeventien jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
4.2.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Ook wordt het oordeel van de rechtbank gevolgd dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de medische conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellante ten tijde van de zeventien-/achttienjarige leeftijd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op zeventien-/achttienjarige leeftijd voldeed aan de gestelde voorwaarden van de AAW. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Het Uwv heeft erkend dat het goed mogelijk is dat appellante al voor haar zeventiende jaar klachten had. Dat is echter niet genoeg om een Wajong-uitkering te kunnen krijgen. Ook moet duidelijk zijn dat appellante door deze klachten niet kon werken op haar zeventiende en achttiende jaar en dus niet zelf (genoeg) geld kon verdienen. Het Uwv beoordeelt dat door de belastbaarheid vast te stellen. In het geval van appellante kan het Uwv die toenmalige belastbaarheid niet meer vaststellen. Dat komt door het tijdsverloop en omdat er geen informatie is over hoe appellante toen functioneerde. Niet is gebleken dat appellante toen hulp of zorg heeft gekregen voor haar klachten. Dat door het tijdsverloop geen informatie beschikbaar is om vast te kunnen stellen of appellante een Wajong-uitkering kan krijgen, komt volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3583) voor rekening van appellante.
4.4.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2023.
(getekend) C.F.E. Olden-Smit
(getekend) C.G. van Straalen