Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-30
ECLI:NL:CRVB:2023:1667
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
837 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 30 augustus 2023
21/570 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 januari 2021, 20/4064 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Stichting Zorgkantoor Menzis (het zorgkantoor)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. U. Özcan, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 1 maart 2023 heeft mr. Özcan namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten.
Menzis heeft schriftelijk gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat mr. Özcan het hoger beroep heeft ingetrokken nadat het zorgkantoor op 16 februari 2023 een herziene beslissing op bezwaar heeft genomen, waarbij aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. Dit is gebeurd, nadat het hoger beroep van appellante ter zitting van de Raad was behandeld.
Bij brief van 16 maart 2023 heeft het zorgkantoor laten weten akkoord te gaan met de veroordeling in de proceskosten.
Het zorgkantoor wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en voor reiskosten een bedrag van € 43,74 (op basis van openbaar vervoer tweede klasse). Daarbij wordt aangetekend dat alleen de reiskosten van appellante voor vergoeding in aanmerking komen.
Daarnaast zal Menzis het door appellante voor het hoger beroep betaalde griffierecht moeten vergoeden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt Menzis in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.717,74;
bepaalt dat Menzis aan appellante het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen