Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-23
ECLI:NL:CRVB:2023:1647
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,480 tokens
Inleiding
221974 JW-S
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 23 augustus 2023
Procesverloop
Namens verzoeker heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 mei 2022, 21/4603.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend en verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2023. Namens verzoeker zijn verschenen zijn moeder [naam moeder van verzoeker] en mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chadid.
Ter zitting van de Raad hebben verzoeker en het college een schikking getroffen. Daarbij heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken met handhaving van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade.
OVERWEGINGEN
Geschil
2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van verzoeker.
3. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep mag ten hoogste anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep mag ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase als deze in haar geheel niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4. In een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en een herhaalde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend (uitspraak van 15 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044). Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
5. Voor dit geval betekent dit het volgende. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 31 januari 2019 tot de datum van intrekking van het hoger beroep op 12 juli 2023 zijn vier jaar en ruim vijf maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf en de opstelling van partijen geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dan ook met ruim vijf maanden overschreden. De behandeling door de rechtbank heeft (telkens) minder dan anderhalf jaar geduurd en de behandeling bij de Raad is binnen de termijn van twee jaar gebleven. Hieruit volgt dat de gehele overschrijding van de redelijke termijn aan het college is toe te rekenen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door verzoeker geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van € 500,-.
6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van verzoeker die hij in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 837,- en met wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek om schadevergoeding bestaat in dit geval geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;
veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J. Brand en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) L.C. van Bentum