Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-23
ECLI:NL:CRVB:2023:1644
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,590 tokens
Inleiding
21 1005 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 februari 2021, 19/1884 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)
Datum uitspraak: 23 augustus 2023
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2022. Appellant is zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Brouwer, L. Roemers en mr. B.H. Nijland.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om het college in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en daartoe nadere stukken ingediend.
Het college heeft een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft hier door middel van diverse brieven op gereageerd.
Het college heeft op verzoek van de Raad op de brieven van appellant gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is ter zitting aan de orde gesteld op 12 juli 2023. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Overwegingen
1. Op 11 april 2019 heeft appellant een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een maatwerkvoorziening in de vorm van diverse aanpassingen in zijn woning. Bij besluit van 21 mei 2019 heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 27 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
3.2.
Na schorsing van het onderzoek heeft het college een besluit van 2 februari 2023 genomen. Bij dit besluit heeft het college het bestreden besluit vervangen en de weigering van de maatwerkvoorziening in de vorm van diverse woningaanpassingen gehandhaafd. Het college heeft hieraan – onder meer – ten grondslag gelegd dat appellant geen medewerking heeft verleend in de zin van artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015, waardoor het recht op een maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld.
3.3.
Appellant kan zich niet vinden in het besluit van 2 februari 2023.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het college heeft het bestreden besluit vervangen door het besluit van 2 februari 2023. Dat betekent dat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard, dat besluit moet worden vernietigd en dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, eveneens moeten worden vernietigd.
4.2.
Het besluit van 2 februari 2023 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, in de beoordeling van het hoger beroep betrokken.
4.3.
Over het besluit van 2 februari 2023 wordt het volgende overwogen. De Raad volgt het college in het standpunt dat appellant geen medewerking heeft verleend in de zin van artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015. Het college heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke wijze meermaals is getracht met appellant in overleg te treden over de vraag welke maatwerkvoorzieningen nog door appellant worden gewenst en over de mate waarin en de wijze waarop de gewenste voorzieningen binnen de kaders van de Wmo 2015 kunnen worden gerealiseerd. Het college heeft appellant bij brieven van 6 oktober 2022 en 11 oktober 2022 uitgenodigd voor een gesprek. Appellant is, deels met voorafgaande kennisgeving, niet op deze afspraken verschenen. Bij brief van 22 november 2022 heeft het college appellant opnieuw voor een afspraak uitgenodigd. Het college heeft te kennen gegeven dat deze brief op dezelfde dag door een medewerker van de gemeente persoonlijk op het adres van appellant is bezorgd. Appellant is zonder voorafgaande kennisgeving niet op de afspraak verschenen en heeft geen contact met het college gezocht voor het maken van een nieuwe afspraak. De Raad merkt ten slotte op dat appellant ook geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om tijdens de behandeling ter zitting van de Raad op 14 september 2022 en/of 12 juli 2023 een toelichting te geven op de gewenste maatwerkvoorzieningen. Al met al heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting en dat het recht op een maatwerkvoorziening hierdoor niet kon worden vastgesteld. Het college heeft daarom de afwijzing van de aanvraag van appellant op deze grond in stand mogen laten.
4.4.
Gelet op wat is overwogen onder 4.3 zal de Raad het beroep tegen het besluit van 2 februari 2023 ongegrond verklaren.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
verklaart het beroep tegen het besluit van 2 februari 2023 ongegrond;
bepaalt dat het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 181,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) L.C. van Bentum