Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-22
ECLI:NL:CRVB:2023:1617
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
935 tokens
Inleiding
Datum uitspraak: 22 augustus 2023
21/2307 PW, 21/2308 PW, 21/2309 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 18 mei 2021, 20/3149, 20/3591 en 20/3728 (aangevallen uitspraken)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.
Namens betrokkene heeft mr. F. Boukich, advocaat, verweerschriften ingediend.
Bij brief van 5 april 2023 heeft het college de hoger beroepen ingetrokken.
Bij bericht van 11 april 2023 heeft mr. Boukich namens betrokkene aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft schriftelijk gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat het college het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting op 9 mei 2023. Bij brief van 24 mei 2023 heeft het college laten weten akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten, mits de drie samenhangende zaken daarvoor als één zaak worden aangemerkt.
De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij gaat de Raad uit van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), nu deze zaken gelijktijdig zijn behandeld door de Raad en de werkzaamheden in de zaken nagenoeg identiek zijn geweest, zodat zij voor toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb in hoger beroep worden beschouwd als één zaak. Voorts is bij deze berekening de wegingsfactor 1 toegepast, die gehanteerd wordt bij minder dan vier samenhangende zaken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op€ 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het verweerschrift).
Van het college wordt op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb griffierecht geheven. Ook voor het griffierecht worden de samenhangende zaken beschouwd als één zaak.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
veroordeelt het college in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 837,-
bepaalt dat van het college een griffierecht van € 541,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door C.E.M. Marsé, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2023.
(getekend) C.E.M. Marsé
(getekend) A. Giesen