Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-17
ECLI:NL:CRVB:2023:1599
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,346 tokens
Inleiding
22 2410 WIA
Datum uitspraak: 17 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2022, 21/5200 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2023. Namens appellante is mr. Bal verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.
Overwegingen
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaakster voor gemiddeld 29,46 uur per week. Op 26 januari 2015 is zij uitgevallen voor deze werkzaamheden wegens benauwdheid, hartklachten en klachten aan haar rechterarm, voortkomend uit een frozen shoulder. Appellante heeft in het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 24 november 2016 het spreekuur van een arts van het Uwv heeft bezocht. Bij besluit van 23 december 2016 heeft het Uwv geweigerd appellante per 23 januari 2017 een WIA uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.2.
Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv bij besluit van
27 juli 2017 geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen per 8 april 2017, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen waarvoor zij eerder de wachttijd van 104 weken heeft volbracht.
1.3.
Appellante heeft zich op 2 augustus 2017, vanuit een situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, opnieuw ziekgemeld. Appellante heeft in dit kader op 24 augustus 2017 het spreekuur van een arts van het Uwv bezocht. Het Uwv heeft bij besluit van 29 augustus 2017 vastgesteld dat appellante per 2 augustus 2017 arbeidsgeschikt is in het kader van de Ziektewet (ZW) en haar een ZW-uitkering geweigerd.
1.4.
Het tegen deze besluiten ingestelde bezwaar, beroep en hoger beroep heeft niet tot een ander resultaat geleid. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1907.
1.5.
Appellante heeft zich op 13 augustus 2018 wederom ziekgemeld vanuit een situatie dat zij een WW-uitkering ontving. In verband hiermee heeft zij op 25 oktober 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts van het Uwv. De verzekeringsarts heeft appellante geschikt geacht voor minstens één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Desondanks heeft het Uwv om onbekende redenen bij besluit van 23 november 2018 de WW-uitkering van appellante per 12 november 2018 beëindigd en haar in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.
1.6.
In het kader van een aanvraag op grond van de Wet WIA heeft een verzekeringsarts appellante op 7 september 2020 op een telefonisch spreekuur gesproken. Op basis van het telefonisch spreekuur en de beschikbare medische informatie heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat er geen nieuwe medische informatie aanwezig is ten opzichte van het onderzoek van 25 oktober 2018. Bij appellante zijn in 2016 diverse medische aandoeningen vastgesteld en in verband daarmee zijn haar beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 november 2016, welke is aangescherpt in een FML van 16 mei 2017. Deze beperkingen hebben standgehouden in de beroeps- en hoger beroepsprocedure. De destijds aangegeven beperkingen zijn volgens de verzekeringsarts ook van toepassing voor de huidige WIA-beoordeling per datum einde wachttijd, 10 augustus 2020. De verzekeringsarts heeft deze beperkingen neergelegd in een FML van 22 oktober 2020.
1.7.
Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 19,42%. Bij besluit van 28 oktober 2020 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 13 augustus 2018 (lees: 10 augustus 2020) een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 augustus 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is de eerdere verschrijving in de ingangsdatum hersteld. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 augustus 2021 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 augustus 2021 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom er in de FML geen beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren noodzakelijk zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hiertoe geconcludeerd dat in de gesprekken met appellante niet is vastgesteld dat sprake is van zeer ernstige psychiatrische stoornissen die de vermoeidheid en overige klachten kunnen verklaren. Een slaapapneu-stoornis is niet vastgesteld. Namens appellante zijn geen objectieve medische stukken ingebracht die wijzen op de door haar geclaimde toename van de beperkingen voor het verrichten van arbeid per datum in geding. De rechtbank heeft daarom in wat appellante heeft aangevoerd geen reden gezien om te twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2.2.
Ook wat betreft de fysieke beperkingen heeft de rechtbank geen reden om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Hiertoe is overwogen dat appellante niet concreet heeft benoemd wat er niet juist is aan de beoordeling door het Uwv. Dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar alleen telefonisch hebben gesproken, zonder dat een lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, doet hier niet aan af. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport omschreven welke onderzoeksactiviteiten hij heeft uitgevoerd en gemotiveerd dat en waarom een fysiek onderzoek niet noodzakelijk is.
2.3.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank appellante niet gevolgd in haar standpunt dat zij medisch niet geschikt is de geduide functies te vervullen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv haar medische beperkingen heeft onderschat. Er zijn ten onrechte geen beperkingen aangenomen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren in verband met psychische klachten. Haar lichamelijke klachten zonder een lichamelijk onderzoek niet op juiste wijze zijn vastgesteld. In verband hiermee heeft appellante erop gewezen dat zij zowel bij de primaire beoordeling als bij de beoordeling in bezwaar niet door een verzekeringsarts is gezien op een spreekuur. Deze wijze van onderzoek acht appellante onvoldoende zorgvuldig om een juist beeld van haar klachten te krijgen. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 10 augustus 2020 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.1.
De Raad volgt appellante niet in haar standpunt, dat het onderzoek van de verzekeringsartsen niet voldoende zorgvuldig is geweest omdat zij appellante niet op een spreekuur hebben gezien.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2023.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) A.L.K. Dagmar