Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-10
ECLI:NL:CRVB:2023:1558
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,156 tokens
Inleiding
21 937 WAJONG
Datum uitspraak: 10 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
24 februari 2021, 20/387 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2022. Appellant is verschenen, vergezeld door [naam] , ambulant begeleider van de GGzE, en bijgestaan door mr. Van Hoof. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Na de zitting is het onderzoek heropend om het Uwv de gelegenheid te geven te reageren op een ter zitting overgelegd rapport.
Het Uwv heeft op 14 december 2022 gereageerd.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 juli 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen mr. M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
1. Appellant, geboren op [geboortedag] 1969, heeft met een door het Uwv op 7 februari 2019 ontvangen formulier een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij heeft appellant een brief van 15 september 2015 van poliklinisch onderzoek van het UMC Utrecht opgesteld door prof. dr. G.D. Valk, internist-endocrinoloog, overgelegd. Op het
aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij een autismespectrumstoornis heeft en het
MEN2-syndroom. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft appellant op 8 april 2019 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Bij besluit van 9 april 2019 is de aanvraag van appellant afgewezen, omdat niet vast te stellen is of appellant op zijn zeventiende verjaardag, of later als student, al arbeidsbeperkingen had. Met zijn bezwaar tegen het besluit van 9 april 2019 heeft appellant een brief van 7 maart 2019 van de behandelend GZ-psycholoog M.C.A.J. Kneepkens ingestuurd en opnieuw de brief van 15 september 2015 van de internist-endocrinoloog. Het Uwv heeft bij besluit van 16 januari 2020 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 9 januari 2020 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de medische situatie van appellant op 17- en 18-jarige leeftijd niet kan worden vastgesteld omdat medische informatie over die periode ontbreekt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat uit de brief van de internist-endocrinoloog blijkt dat de daarin genoemde medische situatie geen betrekking heeft op de situatie van appellant op 17- en 18-jarige leeftijd en dat de brief van GZ-psycholoog Kneepkens over de bij appellant aanwezige persoonlijkheidsstoornis onvoldoende aanknopingspunten biedt om de beperkingen van appellant op 17- en 18-jarige leeftijd vast te stellen. Hoewel kan worden vermoed dat de actuele problematiek en diagnoses (deels) ook al (veel) eerder speelden, kan door het grote tijdsverloop tussen de periode in geding en de datum van de aanvraag de belastbaarheid van appellant destijds niet meer worden vastgesteld. Gelet op vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeld de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2051) komt dat risico bij een laattijdige aanvraag voor rekening van appellant.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit een rapport procesdiagnostisch onderzoek van het Centrum Autisme van de GGzE naar aanleiding van een adviesgeprek van 17 september 2015 blijkt dat er wel degelijk beperkingen kunnen worden vastgesteld die al aanwezig waren in de kindertijd en in de in geding zijnde periode. Appellant heeft dit rapport met de daarbij behorende bijlagen op de zitting van 19 oktober 2022 overgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Na de heropening van het onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met rapporten van 6 december 2022 en 3 april 2023 gereageerd op het onder 3.1 genoemde rapport van de GGzE. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat ook uit dit rapport geen conclusies kunnen worden getrokken over de per datum in geding aanwezige pathologie, ernst en aanwezige beperkingen. De opmerking van de GZ-psycholoog dat er zowel in de kindertijd als in de volwassenheid sprake was van zich herhalende patronen van gedrag, interesses en activiteiten en beperkingen die naar voren komen op het gebied van de sociale communicatie, is onvoldoende om op basis hiervan de beperkingen in de in geding zijnde periode vast te kunnen stellen. Het is in het kader van een Wajong-beoordeling noodzakelijk om te kunnen concretiseren welke beperkingen er in welke mate geweest zijn. Het gegeven dat bepaalde beperkingen passend zouden zijn bij een ASS maakt dit niet anders. Bij vele aandoeningen, waaronder ook een ASS, kunnen het klachtenpatroon, de ervaren belemmeringen en de aanwezige beperkingen sterk verschillen van persoon tot persoon. Het gaat om het bepalen in iemands voorgeschiedenis van een op medische feiten gebaseerd en duidelijk herkenbaar knikmoment. Dit medische knikmoment moet geobjectiveerd en naar aard en ernst gedocumenteerd zijn in gegevens van hulpverleners of andere deskundigen. In het geval van appellant ontbreken echter medische gegevens over de in geding zijnde periode.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Wat betreft het wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 4 tot en met 6 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Het ter zitting van 19 oktober 2022 overgelegde rapport uit 2015 van de GGzE leidt niet tot een ander oordeel. In de rapporten van 6 december 2022 en 3 april 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd waarom aan dit diagnostisch onderzoek uit 2015, wat betreft deze Wajong-beoordeling, niet de waarde kan worden toegekend die appellant daaraan wenst toe te kennen. Het valt niet uit te sluiten dat appellant al voor zijn 17de en 18de jaar beperkingen had als gevolg van psychische klachten. Dat is echter niet genoeg om een Wajong-uitkering te kunnen krijgen. Daarvoor is namelijk nodig dat ook duidelijk is dat appellant door die beperkingen niet (voldoende) kon werken op zijn 17de en 18de jaar of tijdens studie en dus niet zelf (genoeg) geld kon verdienen. Het Uwv beoordeelt dat door de belastbaarheid vast te stellen. In het geval van appellant kan het Uwv die belastbaarheid niet meer vaststellen. Dat komt omdat het meer dan 32 jaar geleden is dat appellant 17 en 18 jaar was en er geen informatie is over hoe appellant toen functioneerde. Dat door het tijdsverloop geen informatie beschikbaar is om vast te kunnen stellen of appellant een Wajong-uitkering kan krijgen komt, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3583) voor rekening van appellant.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Schaap