Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-10
ECLI:NL:CRVB:2023:1556
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,780 tokens
Inleiding
22/1675 WIA
Datum uitspraak: 10 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2022, 21/3178 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Met een besluit van 29 oktober 2020 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 25 mei 2021 (bestreden besluit) bij de weigering van de uitkering gebleven.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. S. Ben Ahmed, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juni 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.B. Ullah, kantoorgenoot van mr. Ben Ahmed. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als kantoormedewerker voor 32 uur per week (de maatgevende arbeid). Op 31 december 2018 heeft zij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Nadat appellante een aanvraag om een WIA-uitkering had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts van het Uwv. De arts heeft appellante per 29 oktober 2020 als hersteld beschouwd voor de maatgevende arbeid. Het Uwv heeft bij besluit van 29 oktober 2020 de Ziektewetuitkering van appellante per die datum beëindigd. Het Uwv heeft eveneens bij besluit van 29 oktober 2020 geweigerd appellante met ingang van 28 december 2020 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij hersteld is voor het einde van de wachttijd van 104 weken.
1.2.
In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek gedaan en een rapport opgesteld. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante de wachttijd voor een WIA-uitkering niet heeft volgemaakt, omdat zij per 29 oktober 2020 hersteld is voor de maatgevende functie en er nadien geen sprake is geweest van een gewijzigde medische situatie, zoals appellante desgevraagd heeft bevestigd. Appellante heeft nog belemmeringen in het gebruik van haar rechterbeen en fysiek zware werkzaamheden moeten worden vermeden, maar deze belemmeringen zullen volgens de arts geen problemen opleveren bij de maatgevende functie, omdat het werk overwegend zittend van aard is en appellante daarin niet is beperkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk uitgelegd waarom de in beroep overgelegde stukken geen reden vormen om meer beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft desgevraagd toegelicht dat een beperking voor het verrichten van zittend werk zoals in de maatgevende functie niet aannemelijk gemaakt kan worden. Hij heeft daarbij verwezen naar het rapport van de arts en benadrukt dat in de maatgevende functie geen sprake is van een dwingende lichaamshouding zoals bij autorijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat de beperkingen van appellante geen aanleiding zijn om aan te nemen dat er sprake is van overschrijding van de belastbaarheid van appellante met de vereisten in de maatgevende arbeid. De maatgevende functie is fysiek niet zwaar. Het rapport van de GGD van 1 april 2022 leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet overgelegd is, van na de datum in geding is en appellante desgevraagd heeft bevestigd dat haar klachten tussen oktober en december 2021 niet zijn toegenomen.
Het hoger beroep van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat zij is niet geschikt voor haar werk als kantoormedewerker en daarom de wachttijd wel heeft volgemaakt. Het onderzoek van de arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onzorgvuldig en ondeugdelijk. Verder heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is waarom niet meer beperkingen zijn aangenomen. Er is onvoldoende waarde toegekend aan de door haar ingebrachte informatie uit de letselschadeprocedure. Zij is beperkt voor het verrichten van zittend werk en de maatgevende functie overschrijdt daardoor wel degelijk haar belastbaarheid.
Beoordeling
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om de WIA-uitkering te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals samengevat weergegeven in overweging 2, worden geheel onderschreven, zodat daarnaar wordt verwezen.
4.3.
Ter zitting heeft appellante nog aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met de invloed van haar pijnklachten op haar concentratie en energie. Dat maakt evenwel niet dat zij niet geschikt kan worden geacht voor de maatgevende functie. Ter zitting is namens appellante immers erkend dat voor een beperking op dit punt geen objectieve medische onderbouwing bestaat. Reeds daarom wordt geen aanleiding gezien te twijfelen aan het oordeel van het Uwv over de geschiktheid van appellante voor haar werk.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en M.L. Noort en S. Slijkhuis als leden, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2023.
(getekend) S. Wijna
(getekend) S.C. Scholten