Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-09
ECLI:NL:CRVB:2023:1542
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,362 tokens
Inleiding
22 406 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 januari 2022, 20/6760 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal, als rechtsopvolger van het Drechtstedenbestuur (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 9 augustus 2023
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. T.M.J. Oosterhuis-Putter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2023. Namens appellant is verschenen mr. Oosterhuis-Putter. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door C.A.M. Nusteling en P. Tjon Poen Gie.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren in 1998, is bekend met psychiatrische problematiek. In verband hiermee heeft het dagelijks bestuur appellant laatstelijk over de periode van 1 december 2019 tot en met 31 maart 2020 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding uit het sociaal netwerk in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Appellant heeft het dagelijks bestuur gevraagd de maatwerkvoorziening voort te zetten.
1.2.
Bij besluit van 24 april 2020 heeft het dagelijks bestuur de maatwerkvoorziening van appellant ambtshalve verlengd tot en met 31 mei 2020.
1.3.
Bij besluit van 3 juli 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 13 november 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om voortzetting van de maatwerkvoorziening per 1 juni 2020 afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek dat nodig is voor de uitvoering van de Wmo 2015, zodat het recht op een maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld.
2. Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant voldoende procesbelang heeft. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 24 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:409) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
4.2.
De Raad is van oordeel dat appellant in deze zaak geen procesbelang heeft. Hiervoor is van belang dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op een reeds verstreken periode. Niet aannemelijk is dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode: inmiddels woont appellant met zijn moeder in het buitenland. Verder is op voorhand onaannemelijk dat schade is geleden. Niet gebleken is dat appellant in de van belang zijnde periode kosten voor individuele begeleiding heeft gemaakt. Weliswaar heeft hij gesproken van het “uit eigen zak”, met gebruikmaking van spaargeld en studiebudget, hebben moeten bekostigen van de begeleiding, maar van het daadwerkelijk inhuren van betaalde begeleiding is blijkens het dossier geen sprake geweest. Daarin is alleen (onbetaalde) begeleiding door de moeder van appellant aan de orde. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellant procesbelang heeft in de hiervoor bedoelde zin.
4.3.
Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J. Brand en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt