Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-08-01
ECLI:NL:CRVB:2023:1515
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,667 tokens
Inleiding
22/3720 PW, 22/3721 PW, 22/3722 PW, 22/3723 PW, 22/3724 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 september 2022, 20/6338, 21/235, 21/2200, 21/2984, 21/4929 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 1 augustus 2023
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2020 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 juli 2020 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het college een verzoek om herziening van het besluit van 6 november 2019 tot afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van griffierecht afgewezen. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 22/3720 PW (20/6338).
Bij besluit van 3 december 2020 heeft het college het bezwaar van appellante tegen een schriftelijke uitnodiging van 15 oktober 2020 voor een afspraak bij arbeidshulpverlening [X] niet-ontvankelijk verklaard. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 22/3720 PW ( 21/235).
Bij besluit van 9 maart 2021 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 december 2020 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het college de toegekende bijzondere bijstand voor woonkosten (woonkostentoeslag) over de periode van 1 april 2020 tot met 31 maart 2021 gewijzigd van € 204,42 (lees: € 201,42) per maand naar € 201,67 per maand, met dien verstande dat de verschrijving van € 204,42 is gewijzigd in € 201,42. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 22/3722 PW ( 21/2200).
Bij besluit van 22 april 2021 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 januari 2021 ongegrond verklaard. Bij dat besluit is appellante ontheffing verleend van haar arbeidsverplichtingen en de tegenprestatie voor de periode 1 februari 2021 tot en met 31 januari 2022. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 22/3723 PW ( 21/2984).
Bij besluit van 5 augustus 2021 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 maart 2021 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het college met een aanvullende motivering beslist dat appellante geen aanspraak heeft op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 22/3724 PW ( 21/4929).
Bij de uitspraak van 15 maart 2022, 20/6338, 21/235, 21/2200, 21/2984, 21/4929, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover hier van belang de beroepen en bijkomende verzoeken van appellante niet-ontvankelijk verklaard in de zaken 20/6338, 21/235 en 21/2984 en de beroepen ongegrond verklaard en de bijkomende verzoeken afgewezen in de zaken 21/2200 en 21/4929.
Op 26 april 2022 heeft appellante bij de rechtbank verzet ingesteld tegen deze uitspraak. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afwezen.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak, gevoegd met de zaken 21/1858, 21/1859, 21/1863, 21/1867, 21/1868, 21/1869, 21/1870, en 21/1871, via beeldbellen behandeld op een regiezitting van 16 januari 2023. Het onderzoek ter zitting is via beeldbellen voortgezet ter zitting van 20 juni 2023. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier.
Overwegingen
Samenvatting
In geschil is of aanleiding bestaat voor doorbreking van een wettelijk appèlverbod. Beoordeeld moet worden of sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is. De Raad komt tot het oordeel dat hiervan geen sprake is. Daarom bestaat geen aanleiding om in dit geval het appèlverbod te doorbreken. De Raad dient zich dan ook onbevoegd te verklaren.
Het standpunt van appellante
Appellante heeft ter zitting toegelicht dat de rechtbank de beroepen niet zonder deugdelijke motivering vereenvoudigd had mogen afdoen, omdat een effectieve rechtsbescherming daardoor onnodig wordt beperkt dan wel wordt tenietgedaan.
Beoordeling
De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld.
Volgens vaste rechtspraak kan voor doorbreking van een wettelijk appèlverbod slechts aanleiding zijn indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is. Deze situatie doet zich hier niet voor.
Bij uitspraak van 15 maart 2022 heeft de rechtbank beslist op het beroep van appellante. De enkele omstandigheid dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid het beroep vereenvoudigd te behandelen betekent niet dat geen sprake is geweest van een eerlijk en onafhankelijk proces. Daarbij is van belang dat appellante haar standpunt schriftelijk zeer uitgebreid uiteen heeft kunnen zetten en dat zij in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord tijdens de behandeling van het verzet ter zitting van de rechtbank van 29 juni 2022, waar zij niet is verschenen. Appellante heeft haar standpunt over de in het procesverloop genoemde besluiten uitvoerig naar voren kunnen brengen. Daarbij speelt ook mee dat appellante al eerder in een zeer groot aantal soortgelijke zaken bezwaar, beroep en hoger beroep heeft ingesteld, grotendeels zonder succes. Zij heeft de in die eerdere procedures ingenomen standpunten herhaald. Dat appellante het niet eens blijft met het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 15 maart 2022 brengt niet mee dat het wettelijk appèlverbod moet worden doorbroken.
Conclusie
4. Omdat er geen reden is het appèlverbod te doorbreken, dient de Raad zich onbevoegd te verklaren. Dit geldt ook voor het verzoek om het college te veroordelen tot schadevergoeding.
5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2023.
(getekend) J.N.A. Bootsma
(getekend) I. van der Hout