Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-26
ECLI:NL:CRVB:2023:1424
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,322 tokens
Inleiding
21 1854 WIA
Datum uitspraak: 26 juli 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 april 2021, 20/6181 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. Çakal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerker. Op 5 februari 2015 heeft appellant zich vanuit een situatie van werkloosheid ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 2 februari 2017 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellant met ingang van 20 mei 2018 een WGAvervolguitkering toegekend naar de klasse 35 tot 45%.
1.2.
Appellant heeft zich op 29 maart 2018 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. In het kader van deze melding heeft appellant op 3 december 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
18 maart 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatstelijk verrichte werk en vervolgens vijf functies geselecteerd. Op basis van drie functies met de hoogste lonen is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 50,92%.
Bij besluit van 22 maart 2019 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 29 maart 2018 vastgesteld op 50,92% en aan hem met ingang van 20 mei 2018 een vervolguitkering toegekend naar de klasse 45 tot 55%.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 maart 2019 heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 12 maart 2020 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft appellant meegedeeld dat hem met ingang van 20 mei 2018 een vervolguitkering wordt toegekend naar de klasse 65 tot 80%. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gevonden om een advies te vragen van psychiater I.S. Hernandez-Dwarkasing. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, gelet op de door de psychiater gestelde diagnoses, op verschillende items van de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren de FML aangepast. Op grond van de aangepaste FML van 10 maart 2020 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies opnieuw beoordeeld, twee functies laten vervallen en op basis van de functies apotheekmedewerker (SBC-code 271171), medewerker intern transport (SBC-code 111220) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) een mate van arbeidsongeschiktheid van 67,18% vastgesteld.
2.1.
In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gevonden om item 2.7 (eigen gevoelens uiten) aan te scherpen in een FML van 25 januari 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de zwaardere beperking op item 2.7 geen aanleiding gevonden om de geselecteerde functies niet als passend te beschouwen.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het door appellant in bezwaar overgelegde rapport van psycholoog drs. M.C.J. van Rijn van 15 oktober 2019 advies gevraagd van psychiater Hernandez-Dwarkasing. De rechtbank heeft vooropgesteld dat zij de conclusies en bevindingen van Van Rijn in beginsel niet hetzelfde waardeert als die van Hernandez-Dwarkasing, een arts. Bovendien heeft Van Rijn de diagnoses ASS en ernstige depressieve stoornis gesteld, maar niet PTSS, zoals appellant heeft betoogd. De rechtbank heeft door Hernandez-Dwarkasing goed en uitgebreid gemotiveerd geacht en onderbouwd waarom ASS minder waarschijnlijk is, dat slechts sprake is van een matige depressieve stoornis en dat van PTSS geen sprake is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich heeft mogen baseren op de conclusies van Hernandez-Dwarkasing en niet uit heeft hoeven gaan van de diagnoses ASS en PTSS en een matige depressieve stoornis kunnen aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen beperkingen hoeven aannemen op ‘vasthouden van aandacht’ en ‘herinneren’, omdat uitgegaan wordt van een matige depressieve stoornis. Gelet op die diagnose heeft hij voorts kunnen stellen dat appellant niet aan het criterium ‘stoornis in de energiehuishouding’ voldoet en door hem is ook afdoende gemotiveerd waarom er geen reden is om een urenbeperking te stellen. De rechtbank heeft uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 maart 2020 afgeleid dat hij op de hoogte was van de klachten van appellant aan rug, benen, buik, slaapapneu en hepatitis B. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen goed beeld had van appellant zijn beperkingen en belastbaarheid als gevolg daarvan, noch dat de FML van 25 januari 2021 geen goede weerspiegeling van die belastbaarheid is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat de beperkingen van appellant in de FML van 25 januari 2021 zijn onderschat.
2.4.
De rechtbank heeft geen reden gezien om te oordelen dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank heeft verwezen naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 maart 2020 en 29 januari 2021. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd, dat uitgaande van de vastgestelde beperkingen, appellant de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies.
2.5.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 mei 2018 heeft vastgesteld op 67,18%. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in beroep de FML heeft aangepast en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook pas in beroep de medische geschiktheid van appellant voor de functies voldoende heeft toegelicht, kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht dit gebrek gepasseerd, waarbij het Uwv is veroordeeld in de proceskosten in beroep en is opgedragen het griffierecht aan appellant te vergoeden.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Volgens appellant is hij vanwege ASS en PTSS meer psychisch beperkt dan is aangenomen. Ook wordt ten onrechte uitgegaan van een matige depressieve stoornis en niet van een ernstige depressieve stoornis. Ter onderbouwing hiervan heeft hij onder andere verwezen naar het rapport van psycholoog Van Rijn, de informatie van psychiater A. Foruz van 21 maart 2017 en het rapport van anios psychiatrie P.J.M. Buijs en psychiater R.M. Hes van 5 oktober 2015. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de uitvoerige motivering van psycholoog Van Rijn. Appellant bestrijdt de overweging van psychiater Hernandez-Dwarkasing dat de diagnose ASS minder waarschijnlijk is. Bovendien heeft de bezwaarverzekeringsarts ook niet alle beperkingen overgenomen zoals die door psychiater Hernandez-Dwarkasing zijn gerapporteerd zonder dat hiervoor een afdoende motivatie is gegeven. Ten aanzien van de rug, benen, buik, slaapapneu en hepatitis B is appellant ook meer beperkt en ook is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Appellant heeft verder aangevoerd dat onvoldoende is gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor hem.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen voor zover aangevochten.
4.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) S. Pouw