Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-19
ECLI:NL:CRVB:2023:1414
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,618 tokens
Inleiding
22 591 WAJONG
Datum uitspraak: 19 juli 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 januari 2022, 19/2666 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2023. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn moeder, bijgestaan door mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Overwegingen
1.1.
Appellant, geboren [geboortedatum] 1998, heeft met een door het Uwv op 22 maart 2016 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellant autisme heeft. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van de orthopedagoog van 15 januari 2015 en 28 juli 2015. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 21 juni 2016 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is omdat niet uitgesloten is dat door verdere begeleiding en behandeling – een hulpverleningstraject loopt nog – verbetering mogelijk is.
1.2.
Appellant heeft op 10 januari 2019 opnieuw een aanvraag om Wajong-uitkering ingediend. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 5 februari 2019 heeft het Uwv deze herhaalde aanvraag met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om tot een ander besluit te komen dan het besluit van 21 juni 2016.
1.3.
Bij besluit van 26 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 5 februari 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv mocht weigeren om terug te komen van het besluit van 21 juni 2016. Appellant heeft geen (nieuwe) feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd aan zijn verzoek waaruit de onjuistheid van het destijds genomen besluit blijkt. Het feit dat appellant in 2016 door een arts is gezien en een verzekeringsarts het rapport alleen schriftelijk heeft getoetst maakt niet dat de besluitvorming indertijd evident onjuist is. Appellant heeft bij de (herhaalde) aanvraag geen gegevens overgelegd. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die nog niet zijn meegewogen in de eerdere beoordeling in 2016 en er daarom geen reden is om tot een ander medisch oordeel te komen dan bij de eerdere beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit standpunt onderschreven. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De gronden die appellant heeft aangevoerd had hij in 2016 kunnen aanvoeren en de in bezwaar ingebrachte stukken bevatten geen nieuwe feiten of omstandigheden over de situatie van appellant in de periode waarop het besluit betrekking had. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd om vanaf 10 januari 2019 een Wajong-uitkering toe te kennen omdat geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 augustus 2019 gerapporteerd dat arbeidsvermogen ontbreekt maar dat door groei, rijping, de juiste begeleiding en met medicatie er zeker een verbetering kan ontstaan van de mogelijkheden. De methode Individuele Plaatsing en Steun om aan het werk te komen en te blijven zou voor hem in de toekomst geschikt zijn. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de in 2016 beoogde behandeling op initiatief van appellant is gestopt. Een medisch advies of ander begeleidingsadvies, in die zin dat doorgaan met behandeling of begeleiding niet tot het gewenste resultaat of tot verbetering zou leiden, heeft daarbij geen rol gespeeld. Verder is zonder duidelijke reden ook geen gebruik gemaakt van een aanbod voor een nieuwe proefperiode bij REA college. Dat een gedwongen opname niet kan plaatsvinden omdat hij niet voldoet aan de eisen en dat hij door zijn ziektebeeld ook geen niet-gedwongen opname zal ondergaan, is niet met objectieve medische informatie onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende onderbouwd dat de juiste begeleiding en eventueel medicatie kan leiden tot een positieve ontwikkeling. Tot slot heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordeeld tot een vergoeding van immateriële schade van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor wat betreft het verzoek om terug te komen van het besluit van 21 juni 2016 wel degelijk sprake is van nieuwe gegevens, omdat in 2019 duidelijk is gebleken dat het hulpverleningstraject niet tot effect heeft gehad dat er arbeidsmogelijkheden zijn ontstaan. Ook was het onderzoek in 2016 onzorgvuldig, omdat appellant niet door een verzekeringsarts is onderzocht. Verder is volgens appellant niet alleen sprake van het ontbreken van basale werknemersvaardigheden, maar kan hij ook niet een uur aaneengesloten werken, vier uur belastbaar zijn of een taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Ter zitting heeft appellant gesteld dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij in ieder geval in 2019 duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Het onderzoek is onzorgvuldig omdat bij het primaire onderzoek is volstaan met een schriftelijke beoordeling en geen contact is opgenomen met de behandelend sector. Voorts benadrukt appellant dat begeleiding, behandeling en ook ondersteuning van het gezin, deels met dwangmaatregelen, niet heeft geleid tot arbeidsmogelijkheden. Hieruit blijkt dat deze zich nooit meer kunnen en zullen ontwikkelen. Tot slot bestaat geen basis voor de medicatie-optie die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft genoemd omdat de behandelend sector daar niet mee is gekomen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
Herziening besluit 21 juni 2016
4.1.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 21 juni 2016 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld onder 4.1 heeft aangedragen. De grond over de zorgvuldigheid van het onderzoek kan niet leiden tot een ander oordeel, nu dit ziet op het onderzoek in 2016 en daarom destijds aangevoerd had moeten worden. Dat geldt ook voor het betoog dat appellant in 2016 niet in staat was om een uur aaneengesloten te werken, vier uur belastbaar te zijn of een taak uit te voeren in een arbeidsorganisatie.
Beoordeling
4.3.
Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
4.4.
Niet in geschil is dat appellant op 10 januari 2019 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
4.5.
Beoordeling
4.6.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
4.7.
Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de verzekeringsartsen in overleg hadden moeten treden met de behandelend sector, wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in redelijkheid heeft kunnen vaststellen dat daartoe geen aanleiding bestond omdat voldoende medische informatie beschikbaar was. Niet is gebleken dat informatie heeft ontbroken waardoor de verzekeringsartsen geen goed beeld van appellant hebben kunnen krijgen op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat door groei en rijping, en de juiste begeleiding er zeker verbetering kan ontstaan van de mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat psycho-educatie, cognitieve gedragstherapie, sociale vaardigheidstraining en groepsbehandelingen (lotgenotencontacten) mogelijke therapieën zijn die ingezet kunnen worden. Voor wat betreft medicatie zouden antipsychotica en antidepressiva de gevoeligheid voor prikkels kunnen dempen. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen medische redenen zijn waardoor appellant de therapie niet zou kunnen afronden of dat geen basis voor de medicatie-optie bestaat. De Raad ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat appellant door deze combinatie van medicatie en behandeling op een andere manier met prikkels zal kunnen omgaan, waardoor het vermijdingsgedrag zal verminderen en hij tot een niveau in staat zal zijn om afspraken met zijn werkgever na te komen. Gezien het voorgaande heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan.
4.8.
Met inachtneming van het vorenstaande kan de rechtbank worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat op 10 januari 2019 niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellant zich konden ontwikkelen en dat van een duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen geen sprake was. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Nu geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling wordt geen aanleiding gezien om een deskundige aan te wijzen.
4.9.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander als voorzitter en M.L. Noort en S.T.P.H. Palmen-Schlangen als leden, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) L. Winters
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.