Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-07-19
ECLI:NL:CRVB:2023:1405
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,594 tokens
Inleiding
21/2440 WIA
Datum uitspraak: 19 juli 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2021, 20/5575 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 6 oktober 2022 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2022:2166, gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2022 ingebracht.
Namens appellant heeft mr. I.E. Mussche een zienswijze op dit rapport ingediend.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv rapporten ingebracht van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 februari 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 februari 2023.
Namens appellant heeft mr. Mussche een zienswijze op deze rapporten ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende.
1.2.
De Raad heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek niet volledig en daarmee onvoldoende zorgvuldig is geweest, zodat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Vastgesteld is dat zowel in de primaire fase als in bezwaar geen spreekuurcontact met een geregistreerd verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft plaatsgevonden. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een spreekuurcontact met een verzekeringsarts bezwaar en beroep geen toegevoegde waarde heeft, is niet gevolgd.
1.3.
Het Uwv is opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen door alsnog een spreekuurcontact met een verzekeringsarts te laten uitvoeren.
1.4.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant op 28 november 2022 op het spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek gedaan. In het rapport van 29 november 2022 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat de bij het onderzoek op het spreekuur verkregen informatie geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen medisch standpunt te herzien. Er zijn op fysiek vlak geen nieuwe inzichten naar voren gekomen. De gepresenteerde bewegingsbeperkingen zijn niet te verklaren vanuit het onderliggend ziektebeeld en stemmen niet overeen met de bevindingen van de primaire arts tijdens diens onderzoek van appellant op 19 december 2019. Ook op mentaal vlak zijn geen nieuwe inzichten over het onderliggend ziektebeeld naar voren gekomen.
1.5.
Appellant heeft aangevoerd dat uit de beschikbare informatie voldoende naar voren komt dat hij niet tot het verrichten van arbeid in staat is. Daarbij heeft hij onder meer gewezen op zijn medicatiegebruik en de langdurige behandelingen. Verder heeft hij aangevoerd dat tijdens het spreekuurcontact op 28 november 2022 slechts een globaal onderzoek heeft plaatsgevonden.
2. De Raad oordeelt als volgt.
2.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, door appellant alsnog op een spreekuur te onderzoeken en over de bevindingen te rapporteren, uitvoering gegeven aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 november 2022 blijkt dat uitgebreid aandacht is besteed aan de lichamelijke en psychische klachten van appellant. Van een globaal onderzoek is dan ook geen sprake. Hierdoor is alsnog sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek en is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld.
2.2.
Met betrekking tot de juistheid van de medische beoordeling wordt het volgende overwogen.
2.2.1.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 15 juni 2020 de beperkingen heroverwogen en vastgelegd in de FML van 15 juni 2020. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is duidelijk dat appellant sinds het ongeval aanhoudende pijn-, concentratie- en geheugenklachten heeft. Uit de medische gegevens van PsyQ, de huisarts, de GZ-psycholoog en de psycholoog van Indigo komt naar voren dat er sprake is van een PTSS. Bij het oriënterend psychiatrisch onderzoek door de (primaire) arts is geen ernstige psychopathologie gevonden en ook geen ernstige stoornissen in de cognitieve functies gedurende het gesprek van bijna een uur. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen ernstige beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren door een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dan ook niet worden aangenomen. Uit informatie van de neuroloog uit 2018 volgt dat er na het ongeval rug- en nekklachten zijn. Bij de MRI zijn geen afwijkingen gevonden aan de nek en in de lage rug is sprake van een aangeboren spondylolysis L5-S1. Bij het onderzoek door de arts op het spreekuur zijn aan nek en rug geen ernstige afwijkingen gevonden of bewegingsbeperkingen. De gevonden afwijkingen hebben geleid tot beperkingen voor zwaar fysieke belasting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullend beperkingen aangenomen vanwege de hooikoorts en op frequent ver buigen, en een bovennormaalwaarde aangegeven op het item frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk. Over de door appellant ingebrachte nadere informatie van de GZ-psycholoog en OCA revalidatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend in haar rapporten van 7 en 17 september 2020 geconcludeerd dat deze medische gegevens al bij de heroverweging zijn meegenomen. Daarbij heeft zij opgemerkt dat bij het vaststellen van beperkingen noch de diagnoses noch de ervaren klachten doorslaggevend zijn, maar de bevindingen bij het onderzoek en de geobjectiveerde afwijkingen.
2.2.2.
Naar aanleiding van de in beroep ontvangen informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 28 januari 2021 overwogen dat de gegevens en het standpunt van OCA-revalidatie en de informatie van de huisarts reeds bekend waren en in de bezwaarprocedure zijn meegenomen. Uit de brieven van de cardioloog volgt niet dat er sprake is van een slechte hartfunctie. Specifieke hartmedicatie is niet gegeven. Bij het vaststellen van de beperkingen was al rekening gehouden met fysiek en mentaal niet al te zware belasting. De door de cardioloog beschreven bevindingen noodzaken niet tot nog verdergaande fysieke beperkingen.
2.2.3.
In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 23 juni 2022 naar aanleiding van het psychiatrisch expertiserapport van prof. dr. G.F. Koerselman van 22 oktober 2021, uitgebracht in het kader van een letselschadeprocedure, erop gewezen dat de overweging van Koerselman op welke gebieden de beperkingen liggen, overeenkomt met de visie van het Uwv over de beperkingen zoals ‘beperkt tegen stress kunnen’, ‘aangewezen zijn op gestructureerd (voorspelbaar) werk’ en ‘geen leiding kunnen geven’. Volgens Koerselman kan appellant wel samenwerken als er goede afspraken kunnen worden gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarin aanleiding gezien om appellant aanvullend beperkt te achten voor het item 2.8 ‘Omgaan met conflicten (kan een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend in telefonisch of schriftelijk contact hanteren)’ en het item 2.9 ‘Samenwerken (samenwerken is mogelijk als goede afspraken worden gemaakt)’.
2.2.4.
Naar aanleiding van vragen van de Raad over de adviezen van Koerselman heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 16 februari 2023 alsnog in de FML van 16 februari 2023 een beperking aangenomen op het item 1.9.8 ‘Werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is’, met daarbij de toelichting ‘geen langdurige blootstelling aan een hoog handelingstempo in complexe taken. In routinematige taken geldt geen beperking ten aanzien van hoog handelingstempo’. Bij het item 2.8 ‘Omgaan met conflicten’ is een toelichting toegevoegd ‘niet structureel in persoonlijk of telefonisch contact’.
2.2.5.
In wat appellant heeft aangevoerd noch in de aanwezige medische stukken zijn aanknopingspunten te vinden om de gemotiveerde en uitvoerig onderbouwde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen aanleiding is om andere en/of zwaardere beperkingen aan te nemen dan neergelegd in de FML van 16 februari 2023, niet te volgen. Koerselman heeft de eigen opvatting van appellant dat hij tot geen enkele vorm van werk in staat zou zijn gedeeld. De beperkingen die Koerselman bij appellant in zijn rapport heeft vastgesteld, zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgenomen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 september 2020;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.310,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in
totaal € 182,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2023.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) D. Schaap