Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-27
ECLI:NL:CRVB:2023:1313
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,323 tokens
Inleiding
223093 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2022, 22/2659 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 27 juni 2023
Zitting heeft: W.F. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: N. van der Horn
Ter zitting zijn partijen niet verschenen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In maart 2021 heeft een brand gewoed in de huurwoning van appellante. Omdat deze woning daardoor onbewoonbaar was, heeft appellante tijdelijk in een andere woning verbleven. Op enig moment is zij weer terug verhuisd naar haar huurwoning. In verband met die verhuizing heeft appellante, althans haar gemachtigde namens haar, op 24 januari 2022 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend. In de begeleidende brief bij deze aanvraag heeft de gemachtigde onder meer geschreven:
“De kosten kunnen bestaan uit:
- Huur,
- Waarborg,
- Kosten van verhuizing zelf,
- Het huren van busje,
- Het dragen van spullen,
- Het schilderen van muren,
- Nieuw tapijt,
- Nieuw meubilair
[...]
[Appellante] heeft ook van de verzekering wat geld gekregen terzake de schade die zij heeft. Het gaat om € 28.000,00. Dit geld is inmiddels uitgegeven aan meubilair, etc. [...]
Zo uw gemeente een bedrag wil zien stelt uw gemeente voor dat aan haar € 5.000,00 betaald wordt terzake de laatste verhuizing. [...]”
Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam op 27 januari 2022 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van appellante. Deze medewerker heeft gevraagd wat precies aan bijzondere bijstand wordt aangevraagd, nu appellante een bedrag van € 28.000,- toegekend heeft gekregen van haar verzekeraar. Volgens de weergave van dit telefoongesprek in een rapport van 28 januari 2022 heeft de gemachtigde onder meer het volgende gezegd. Als je een bankstel en een televisie koopt, is het geld al op. Van huur en waarborg is geen sprake geweest. Voor het dragen van spullen kun je een verhuisbedrijf of studenten inschakelen, hiervoor valt te denken aan een bedrag van € 2.000,-. Als appellante geen € 5.000,- krijgt, dan mag het ook € 2.000,- zijn.
Met een besluit van 28 januari 2022 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt maar het college is met een besluit van 1 juni 2022 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de aan appellante uitgekeerde schade-uitkering van € 28.000,- moet worden beschouwd als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellante als enige beroepsgrond aangevoerd dat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door niet in overleg te treden met appellante. Hierbij wijst appellante erop dat zij in een ingewikkelde situatie terecht was gekomen. Zij weet niet waarvoor zij precies bijzondere bijstand kan krijgen. Er is sprake geweest van een brand, twee verhuizingen, schade en meerkosten. De gemeente doet niets en heeft de aanvraag zomaar afgewezen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft de aanvraag niet ‘zomaar’ afgewezen. Een medewerker van gemeente Rotterdam heeft immers eerst telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van appellante om uitleg te vragen over de kosten waarop de aanvraag ziet, in relatie tot het uitgekeerde schadebedrag van € 28.000,-. Bovendien ligt het op de weg van appellante als aanvrager van bijzondere bijstand om aannemelijk maken dat zij recht op die bijstand heeft. In dat kader mag van haar worden verwacht dat zij duidelijkheid geeft over wat zij aan bijzondere bijstand nodig heeft na ontvangst en besteding van het bedrag van € 28.000,-.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. van der Horn (getekend) W.F. Claessens
Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.