Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-28
ECLI:NL:CRVB:2023:1204
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,855 tokens
Inleiding
221382 WLZ
Datum uitspraak: 28 juni 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 maart 2022, 22/6 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
CIZ
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2023. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Aslan en door haar ouders. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kersjes-Van Bussel en I.C.J.G. van Maris-Kindt.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedag] 2015, is bekend met een zeldzame genetische aandoening en daaruit voortkomende problematiek. In verband hiermee is op 14 oktober 2020 namens appellante een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Bij besluit van 7 januari 2021, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 18 november 2021 (bestreden besluit), heeft het CIZ de aanvraag van appellante afgewezen. Het CIZ heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de grondslag verstandelijke handicap op basis van de huidige diagnostiek niet kan worden vastgesteld. Bij appellante is wel sprake van de grondslagen zintuiglijke handicap en lichamelijke handicap. Wegens het ontbreken van een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht, geven deze grondslagen geen toegang tot zorg op grond van de Wlz. Hieraan liggen medische adviezen van 6 januari 2021, 30 augustus 2021 en 19 oktober 2021 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Namens appellante is in hoger beroep – samengevat – aangevoerd dat de grondslag verstandelijke handicap had moeten worden vastgesteld. Verwezen is naar informatie van diverse (medisch) specialisten, waaruit blijkt dat appellante een ontwikkelingsachterstand en een verminderd intellectueel vermogen heeft. Vanwege de combinatie van fysieke en verstandelijke beperkingen dient appellante, ondanks haar jonge leeftijd, in aanmerking te komen voor zorg op grond van de Wlz. Appellante heeft op alle vlakken van het leven permanent toezicht en 24 uur per dag intensieve zorg, ondersteuning en begeleiding in de nabijheid nodig ter voorkoming van ernstig nadeel. Dit is substantieel meer dan bij leeftijdsgenoten. Bij appellante is onder meer sprake van valgevaar. Er zijn geen hulpmiddelen meer beschikbaar om haar zelfstandigheid te vergroten. In het kader van een beoordeling voor de dubbele kinderbijslag heeft het CIZ geoordeeld dat sprake is van een intensieve zorgbehoefte. Er is geen verbetering mogelijk in haar situatie en behandeling is enkel nog gericht op het verlichten van haar klachten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode in deze zaak loopt van 14 oktober 2020 (de datum van de aanvraag) tot en met 18 november 2021 (de datum van het bestreden besluit). Appellante was toen nog zeer jong, namelijk vijf jaar en zes jaar oud. Het CIZ kan worden gevolgd in zijn conclusie dat de grondslag verstandelijke handicap destijds (nog) niet kon worden vastgesteld. Bij appellante is in de zomer van 2020 in twee gedeeltes een op haar leeftijd afgestemde nonverbale intelligentietest, de zogeheten SON 2-8, afgenomen. Uitkomst daarvan was een SON IQ van in totaal 72/70. Hoewel de medisch adviseurs van het CIZ alleen het eerste gedeelte van deze test in hun adviezen hebben vermeld, hebben zij wel rekening gehouden met een uitkomst rond dit niveau. Immers, al na het eerste gedeelte is een verwachte uitkomst tussen de 65 en 88 genoemd, welke verwachting dus is uitgekomen. Dit komt neer op een moeilijk lerend niveau, met een achterstand ten opzichte van leeftijdsgenootjes. Ter zitting van de Raad heeft het CIZ toegelicht dat ook als beide gedeeltes van de test in aanmerking worden genomen, deze enkele test, gezien de jonge leeftijd van appellante, niet toereikend is om tot aanwezigheid van de grondslag verstandelijke handicap te kunnen concluderen. In het geval van appellante kan niet worden gesproken van een zogenoemde ernstige meervoudige complexe handicap/ernstige meervoudige beperkingen (MCG/EMB), waarbij onder meer een zeer ernstige verstandelijke beperking aan de orde is, met nauwelijks mogelijkheden tot communicatie en een zeer lage ontwikkelingsleeftijd (tot 24 maanden). Het CIZ heeft onderkend dat er in het geval van appellante wel sprake is van een niveauverschil met leeftijdsgenootjes, maar dat wil niet zeggen dat deze achterstand in de toekomst alleen maar zal toenemen en appellante in het geheel geen ontwikkeling meer zal doormaken. Deze redenering is navolgbaar. Niet gezegd kan dus worden dat het CIZ op dit punt tot een onjuiste conclusie is gekomen.
4.2.
Dat de grondslag zintuiglijke handicap niet leidt tot een blijvende behoefte aan 24uurszorg in de nabijheid of permanent toezicht, is namens appellante op zichzelf beschouwd niet weersproken. Appellante heeft weliswaar te kampen met gehoorverlies, maar ten tijde van belang werd haar gehoor door de kno-arts nog duidelijk te goed geacht voor een cochleair implantaat. Zou die situatie in de toekomst anders worden, dan kan zo’n implantaat nog voor verbetering zorgen. Ook in zoverre is van onjuiste oordeelsvorming door het CIZ geen sprake.
4.3.
Het CIZ heeft tot slot geconcludeerd dat ook de grondslag lichamelijke handicap nu niet leidt tot een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht. Ook daarin kan het CIZ worden gevolgd. Het gaat bij de lichamelijke beperkingen van appellante om tremor in de armen, hypotonie en balansproblemen. Het CIZ heeft er op gewezen dat kan worden bekeken hoe de valrisico’s kunnen worden ondervangen, bijvoorbeeld met een ergotherapeut of revalidatiearts, waarbij hulpmiddelen kunnen worden ingezet. Bij verplaatsing kan (planbare) begeleiding en ondersteuning worden geboden. Voor het namens appellante ingenomen standpunt dat de lichamelijke beperkingen ook met inzet van hulpmiddelen nog 24-uurszorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig maken, is in het dossier geen medische onderbouwing aanwezig.
4.4.
Conclusie
4.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, met enige verbetering van gronden, worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en H.J. de Mooij en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt