Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-13
ECLI:NL:CRVB:2023:1160
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,503 tokens
Inleiding
22/214 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2021, 21/4123 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)
Datum uitspraak: 13 juni 2023
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S.M.J. Iqbal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft appellant in een regiebrief laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en vragen gesteld over wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht. De Raad heeft appellant daarbij onder meer in de gelegenheid gesteld om zijn beroep nader toe te lichten of, als hij dat niet wil of kan, om toestemming te geven om de zaak zonder zitting af te doen. De Raad heeft appellant daarbij gewezen op zijn recht om ter zitting te worden gehoord. Appellant heeft in reactie op de regiebrief te kennen gegeven dat hij geen behoefte heeft aan een zitting. Omdat het college daarna niet om een zitting heeft gevraagd, heeft de Raad de zaak niet behandeld op een zitting en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeelt de Raad een besluit van het college tot verrekening van de bijstand van appellant. Het college heeft dit besluit genomen omdat appellant in november 2020 een vergoeding heeft ontvangen in verband met de beëindiging van een dienstverband.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 22 maart 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van een heronderzoek heeft een medewerker van het college bankafschriften van appellant onderzocht. Daarbij heeft de medewerker vastgesteld dat appellant in de maand november 2020 een aantal bijschrijvingen van derden op zijn bankrekening heeft ontvangen alsmede een bedrag van € 982,05 in verband met de beëindiging van een dienstverband per 12 maart 2020.
1.2.
Met het besluit van 28 januari 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 juni 2021 (bestreden besluit), heeft het college – voor zover hier van belang – een bedrag van € 1.059,03 verrekend met de bijstand over de maanden februari en maart 2021 door in die maanden een bedrag van € 529,52 respectievelijk € 529,51 in te houden op de bijstand.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd vanwege een motiveringsgebrek en de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten.
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Niet in geschil is dat het college in dit geval op grond van artikel 58, vierde lid, van de PW bevoegd was om zonder inachtneming van de beslagvrije voet tot verrekening over te gaan. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college hem een meer coulante betalingsregeling had moeten aanbieden, omdat hij door de verrekening in financiële problemen is geraakt.
4.3.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is de wetgever er bij de verrekening op grond van artikel 58, vierde lid, van de PW kennelijk van uitgegaan dat de betrokkene, gegeven de omstandigheid dat hij kort tevoren (naast de lopende bijstandsuitkering) over middelen de beschikking heeft gekregen, er rekening mee diende te houden dat deze middelen op korte termijn zouden worden verrekend. Appellant heeft zijn stelling dat hij door de verrekening in financiële problemen is gekomen – ook na de regiebrief – niet onderbouwd. Hij heeft ook niet onderbouwd welke gevolgen die financiële problemen voor hem hebben gehad en waarom het college de ontvangen middelen niet in redelijkheid kon verrekenen met zijn bijstand over februari en maart 2021. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd dan ook geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot verrekening.
Conclusie
5. Het hoger beroep slaagt niet. Dat betekent dat de verrekening in stand blijft. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.
6. Appellant krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij komt ook niet in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) M. Zwart
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 58, vierde lid, van de Participatiewet:
Het college is bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand.
Uitspraak van de Raad van 25 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1117.