Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-21
ECLI:NL:CRVB:2023:1131
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,752 tokens
Inleiding
20 2139 ZW, 20/3785 ZW
Datum uitspraak: 21 juni 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
30 april 2020, 19/5936 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J.A.H. van Marwijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 23 september 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft daarop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Marwijk. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door J.J. Grasmeijer.
De Raad heeft het onderzoek heropend en verzekeringsarts I.A.K. Snels als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 26 januari 2023 een rapport uitgebracht.
Beide partijen hebben een zienswijze op het rapport van de deskundige ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als algemeen medewerker. Op 12 februari 2018 heeft hij zich ziekgemeld met rug- en heupklachten. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 12 juni 2018 met ingang van 1 maart 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 december 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 80,20% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 31 januari 2019 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 12 maart 2019 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 augustus 2019 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en een nieuwe FML van 5 juli 2019 ten grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nieuwe functies geselecteerd en op grond van deze functies het arbeidsgeschiktheidspercentage vastgesteld op 67,37.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellant heeft onderschat. Uitgaande van de juistheid van de FML van 5 juli 2019 heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig is geweest, omdat het Uwv heeft nagelaten informatie op te vragen bij de behandelend neuroloog en de Stichting Rugzorg. Zo zijn de bevindingen van de MRI-scan niet opgevraagd. Appellant heeft verder gesteld dat de uit zijn klachten voortkomende beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant brieven van 17 januari 2019, 20 februari 2019 en 12 februari 2020 van de behandelend neuroloog en van 14 maart 2019 van de anesthesioloog van Stichting Rugzorg ingezonden. Appellant heeft gesteld dat hij met zijn beperkingen de geselecteerde functies niet kan uitoefenen. De functies voedingsassistent en verkoper winkel zijn niet geschikt voor hem, omdat zijn belastbaarheid op de aspecten tillen en dragen wordt overschreden. De functie meteropnemer is niet passend in verband met zijn persoonlijke en sociale beperkingen en omdat in het werk moet worden trapgelopen, zeker als hij ook nog moet knielen en hurken. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.
3.2.
Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 23 september 2020 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 januari 2019 alsnog gegrond verklaard, in zoverre dat de ZW-uitkering van appellant niet per 12 maart 2019 maar per 7 september 2019 wordt beëindigd. Vanaf de datum van bestreden besluit 1 is namelijk gelet op de nieuw geselecteerde functies ten onrechte geen nieuwe uitlooptermijn van een maand en een dag gehanteerd. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en, onder verwijzing naar een rapport van 21 september 2020 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 11 september 2020 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond te verklaren.
3.3.
Appellant heeft te kennen gegeven het gelet op de onder 3.1 weergegeven redenen evenmin eens te zijn met bestreden besluit 2.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Gelet op het gewijzigde standpunt van het Uwv in bestreden besluit 2 is bestreden besluit 1 onjuist. Dat heeft tot gevolg dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, evenals bestreden besluit 1. Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.
4.2.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.3.
In geschil is of het Uwv de ZW-uitkering van appellant terecht per 7 september 2019 heeft beëindigd.
4.4.
In zijn brief van 20 februari 2019 heeft de neuroloog geconcludeerd dat appellant een HNP L5-S1 links, asymptomatisch heeft en geen radiculaire uitstraling S1 traject links. In zijn brief van 12 februari 2020 heeft de neuroloog geconcludeerd dat appellant nu ook radiculaire pijn in zijn linkerbeen heeft, waarschijnlijk toch op basis van HNP L5-S1 links. Gelet op dit verschil in conclusies en de summiere reactie van de verzekeringsarts hierop, heeft de Raad aanleiding gezien zich door de deskundige te laten adviseren.
4.5.
De deskundige heeft in haar rapport de in het dossier aanwezige gegevens besproken en verslag gedaan van het door haar uitgevoerde onderzoek. Zij heeft vastgesteld dat uit de beschikbare informatie blijkt dat appellant al sinds 1997 bekend is met lage rugklachten die steeds zijn geduid als lumbago. Begin 2019 bezocht appellant voor deze klachten de neuroloog die in januari 2019 lumbago zonder radiculaire prikkeling constateerde. Dit past ook bij de beschreven anamnese en bevindingen bij het lichamelijk onderzoek door de neuroloog. Er wordt op verzoek van Rugzorg toch een MRI gemaakt waarop een afwijking wordt gezien. Deze afwijking wordt door de neuroloog beschreven als een HNP L5-S1 links; asymptomatisch. De diagnose blijft ongewijzigd lumbago zonder aanwijzingen voor een radiculair syndroom. De anesthesist/pijnspecialist van Rugzorg beschrijft de MRI-afwijking als een protrusie op L5-S1 en constateert discogene klachten, mogelijk HNP-gerelateerd. Bijna een jaar later, in feburari 2020, heeft appellant nogmaals de neuroloog bezocht met nog steeds dezelfde klachten, namelijk veel pijn in rug, linkerbeen en heup. De neuroloog heeft geen nieuw lichamelijk of aanvullend onderzoek beschreven. De neuroloog heeft geconcludeerd dat er nu wel sprake is van radiculaire pijn, waarschijnlijk toch op basis van de eerder beschreven HNP.
Overwegingen
5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten worden voor de aan appellant beroepsmatig verleende rechtshulp begroot op € 1.674,- in beroep (beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt en een waarde per punt van € 837,-) en € 2.511,- in hoger beroep (hoger beroepschrift 1 punt, zitting 1 punt, reactie op gewijzigde beslissing op bezwaar 0,5 punt, zienswijze na verslag deskundigenonderzoek 0,5 punt en een waarde per punt van € 837,-), in totaal € 4.185,-.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2019 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 september 2020 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 4.185,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) L. Winters