Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-14
ECLI:NL:CRVB:2023:1115
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,298 tokens
Inleiding
22/2426 WAO, 22/2427 WAO
Datum uitspraak: 14 juni 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juni 2022, 21/611 en 21/612 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bruggeman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier.
Overwegingen
1.1.
Appellante is op 22 oktober 1997 uitgevallen met bekken-, rug- en beenklachten voor
haar werk als [naam functie] bij het [werkgever]. Van 21 oktober 1998 tot 21 april 2007 ontving zij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarna ontving zij tot 2 januari 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. In maart 2011 is appellante geopereerd voor borstkanker en in september 2011 brak zij bij een ongeval (kop-staart botsing) een ruggenwervel. In november 2013 en in 2017 was wederom sprake van een kop-staart botsing. Verder heeft appellante sinds 2006 psychische en psychosociale klachten.
1.2.
Op 17 maart 2011 is appellante – op verzoek van de Intergemeentelijke Sociale Dienst
Bollenstreek – door medisch adviseur A.H.M. Bernaert onderzocht. Hij heeft geconcludeerd dat appellante vanwege lichamelijke en psychosociale klachten geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft en dat sprake is van een arbeidshandicap op medische gronden. Daarna heeft Bernaert appellante op 19 juli 2012, 17 mei 2012 en 11 november 2016 wederom onderzocht en heeft hij zijn eerdere conclusie gehandhaafd.
1.3.
Appellante heeft op 30 mei 2019 een uitkering op grond van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Daarbij heeft zij vermeld dat zij sinds op 7 februari 2011 voor het eerst niet kon werken wegens ziekte. Op 16 juni 2019 heeft zij verzocht om een herbeoordeling voor de WAO.
1.4.
Een arts van het Uwv heeft appellante op een spreekuur gezien. Deze arts heeft in zijn
rapport van 30 december 2019 vastgesteld dat appellante verminderde functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte overeenkomstig de Functionele Mogelijkhedenlijst van 30 december 2019 en dat de beperkingen tenminste vier weken onafgebroken zijn toegenomen door dezelfde ziekteoorzaak, binnen 5 jaar na eerdere schatting, per arbitraire datum van 17 maart 2011. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 21 februari 2020 vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten. Hij heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en heeft op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 67,36%.
1.5.
Bij besluit van 28 februari 2020 heeft het Uwv met ingang van 30 mei 2018 aan appellante een WAO-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Omdat de WAO-aanvraag laat is ingediend, is deze uitkering toegekend met ingang van 30 mei 2018, zijnde 1 jaar voor datum aanvraag.
1.6.
Bij besluit van 8 april 2020 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 18 oktober 2019 verlaagd omdat de WAO-uitkering per die datum wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%. Aan dit besluit liggen dezelfde rapporten ten grondslag als aan het besluit van 28 februari 2020.
1.7.
Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 februari 2020 heeft het Uwv bij
besluit van 9 december 2020 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 november 2020. Verder heeft het Uwv vermeld dat er geen aanleiding is om de ingangsdatum van de WAOuitkering eerder te laten ingaan dan 30 mei 2018 omdat bij een late aanvraag, de ingangsdatum maximaal één jaar voor de datum van de aanvraag is. Daarvan kan alleen in bijzondere omstandigheden van worden afgeweken. Van dergelijke omstandigheden is volgens het Uwv geen sprake.
1.8.
Bij besluit van 9 december 2020 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van
appellante tegen het besluit van 8 april 2020 gegrond verklaard. Daarbij is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 68,16%. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts van 4 september 2020, de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 november 2020 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 december 2020. Deze arbeidsdeskundige heeft enkele van de voorbeeldfuncties laten vervallen en daarvoor nieuwe voorbeeldfuncties in de plaats gezet. Op basis daarvan heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd vastgesteld op 68,16%. Verder is in bestreden besluit 2 vermeld dat geen IVA-uitkering kan worden toegekend op grond van de WAO. Een IVA-uitkering kan alleen worden toegekend op grond van de WIA.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de
bestreden besluiten ongegrond verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellante geen recht had op een IVA-uitkering.
2.3.1.
De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn oordeel dat de WAO-uitkering niet eerder dan met ingang van 30 mei 2018 toegekend kon worden. Slechts in bijzondere gevallen kan een WAO-uitkering eerder ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Daarvan is volgens de rechtbank geen sprake.
2.3.2.
De door appellante ter zitting van de rechtbank aangevoerde omstandigheden dat zij bij de sociale dienst steeds heeft aangegeven dat zij gelet op haar klachten bij het Uwv ‘thuishoorde’, dat de Sociale Dienst dat echter nooit heeft gemeld bij het Uwv en dat zij in 2015 een advocaat heeft benaderd om haar te helpen met het aanvragen van een WAOuitkering, wat deze advocaat nooit heeft gedaan, zijn voor haar zeer vervelend en niet aan haar te wijten.
2.3.3.
Volgens de rechtbank is de toets of er sprake is van een bijzonder geval echter streng en uit het voorgaande is niet gebleken dat het appellante heeft ontbroken aan inzicht in de ernst, de aard en de duurzaamheid van haar psychische problematiek. Dat is volgens de rechtbank dus niet de reden geweest dat zij niet tijdig een WAO-uitkering heeft aangevraagd. Voor zover appellante zich op het standpunt heeft gesteld dat zij door onwetendheid niet eerder een aanvraag heeft kunnen indienen heeft de rechtbank erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak onbekendheid met het bestaan van een regeling als hier aan de orde geen bijzonder geval oplevert.
2.4.1.
Wat betreft de verlaging van de WAO-uitkering van appellante per 18 oktober 2019 naar 65-80%, heeft de rechtbank geoordeeld dat de medische rapporten zorgvuldig en inzichtelijk zijn, en geen tegenstrijdigheden bevatten. Dat de primaire arts en de verzekeringsartsen in tegenstelling tot de medisch adviseurs van de Sociale Dienst in het verleden tot de conclusie zijn gekomen dat appellante wel belastbaar is, zou verklaard kunnen worden doordat zij een andere beoordeling uitvoeren. Het Uwv heeft zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat die eerdere medische beoordelingen niet van doorslaggevend belang zijn voor de beoordeling in welke mate appellante belastbaar is. Die beoordeling is immers aan de verzekeringsarts, die daar bij uitstek deskundig in is.
2.4.2.
De arbeidsdeskundige heeft de signaleringen van de geselecteerde functies voldoende toegelicht. Dat appellante vanuit een verzekering huishoudelijke hulp uitgekeerd heeft gekregen, is volgens de rechtbank onvoldoende om ongeschiktheid van appellante voor de functies huishoudelijke medewerker (gebouwen) op de datum in geding aan te nemen.
3.1.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het haar wel degelijk ontbroken heeft aan inzicht in ernst, aard en duurzaamheid van haar psychische problematiek, zodat zij om die reden pas op 30 mei 2019 de WAO-aanvraag heeft ingediend.
Dictum
De Centrale Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2023.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) L. Winters