Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-31
ECLI:NL:CRVB:2023:1081
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,742 tokens
Inleiding
22/427 WMO15, 22/428 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2021, 20/6195 en 20/6196 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De erven van [betrokkene] (betrokkene) te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Rogplus, als rechtsopvolger van het gemeenschappelijk orgaan ROGplus Nieuwe Waterweg Noord (Rogplus)
Datum uitspraak: 31 mei 2023
Procesverloop
Namens betrokkene heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Rogplus heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene is op [overlijdensdatum] overleden. Appellant heeft laten weten de procedure voort te zetten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
Besluitvorming door Rogplus
1.1.
Bij besluit van 19 juni 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2020 (bestreden besluit 1) heeft Rogplus betrokkene naar aanleiding van een diens aanvraag op grond van de Wmo 2015 een verhuiskostenvergoeding van € 1.580,- verstrekt, omdat er voor betrokkene medische redenen waren om op zoek te gaan naar een andere woning. De hoogte van het uitsluitend voor de verhuizing bedoelde bedrag is vastgesteld conform bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Maassluis Vlaardingen Schiedam 2020 (Verordening). Rogplus heeft geen reden gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2020 (bestreden besluit 2) heeft Rogplus het besluit van 30 juni 2020, waarbij de aanvraag van betrokkene voor een scootmobiel op grond van de Wmo 2015 is afgewezen, gehandhaafd.
De uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkene tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat Rogplus gemotiveerd heeft toegelicht dat in de Verordening voor de verhuiskostenvergoeding is gekozen voor een forfaitair bedrag. Het vastgestelde bedrag is gebaseerd op een marktonderzoek door de drie gemeenten. Uit dat onderzoek is gebleken dat het bedrag van een verhuizing als hier aan de orde bij diverse verhuisbedrijven lager is dan het aan betrokkene verstrekte bedrag van € 1.580,-. Er is geen reden om te concluderen dat het bedrag in dit geval ontoereikend is. De beroepsgrond dat geen maatwerk is geleverd, treft geen doel. Met de verstrekte voorziening heeft Rogplus een passende bijdrage geleverd aan de zelfredzaamheid, zoals bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond dat de Verordening in strijd is met de Wmo (lees: Wmo 2015) evenmin.
Het hoger beroep
3. Namens betrokkene is aangevoerd dat Rogplus bij de verhuiskostenvergoeding geen maatwerk heeft geleverd omdat de verstrekte vergoeding niet toereikend is. Ook bij de gevraagde scootmobiel is geen maatwerk geleverd.
Beoordeling
De scootmobiel (22/427)
4.1.
Na het overlijden van betrokkene heeft appellant de Raad desgevraagd bericht dat geen procesbelang meer bestaat bij een oordeel over de maatwerkvoorziening voor een scootmobiel.
4.2.
Hieruit volgt dat het hoger beroep in de zaak met kenmerk 22/427 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De verhuiskostenvergoeding (22/428)
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep volstaan met het herhalen van de stelling dat met de verstrekte verhuiskostenvergoeding geen maatwerk is geleverd, omdat de tegemoetkoming niet toereikend is. Hij heeft geen nieuwe gronden naar voren gebracht en/of gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Hij heeft ook geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot het oordeel dat Rogplus met de verstrekte verhuiskostenvergoeding een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid van betrokkene heeft geleverd, zoals bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
verklaart in de zaak met nummer 22/427 over de scootmobiel het hoger beroep nietontvankelijk;
bevestigt in de zaak met nummer 22/428 over de verhuiskostenvergoeding de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond heeft verklaard.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) P. Boer
Inleiding
22/427 WMO15, 22/428 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2021, 20/6195 en 20/6196 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De erven van [betrokkene] (betrokkene) te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Rogplus, als rechtsopvolger van het gemeenschappelijk orgaan ROGplus Nieuwe Waterweg Noord (Rogplus)
Datum uitspraak: 31 mei 2023
Procesverloop
Namens betrokkene heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Rogplus heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene is op [overlijdensdatum] overleden. Appellant heeft laten weten de procedure voort te zetten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
Besluitvorming door Rogplus
1.1.
Bij besluit van 19 juni 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2020 (bestreden besluit 1) heeft Rogplus betrokkene naar aanleiding van een diens aanvraag op grond van de Wmo 2015 een verhuiskostenvergoeding van € 1.580,- verstrekt, omdat er voor betrokkene medische redenen waren om op zoek te gaan naar een andere woning. De hoogte van het uitsluitend voor de verhuizing bedoelde bedrag is vastgesteld conform bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Maassluis Vlaardingen Schiedam 2020 (Verordening). Rogplus heeft geen reden gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2020 (bestreden besluit 2) heeft Rogplus het besluit van 30 juni 2020, waarbij de aanvraag van betrokkene voor een scootmobiel op grond van de Wmo 2015 is afgewezen, gehandhaafd.
De uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkene tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat Rogplus gemotiveerd heeft toegelicht dat in de Verordening voor de verhuiskostenvergoeding is gekozen voor een forfaitair bedrag. Het vastgestelde bedrag is gebaseerd op een marktonderzoek door de drie gemeenten. Uit dat onderzoek is gebleken dat het bedrag van een verhuizing als hier aan de orde bij diverse verhuisbedrijven lager is dan het aan betrokkene verstrekte bedrag van € 1.580,-. Er is geen reden om te concluderen dat het bedrag in dit geval ontoereikend is. De beroepsgrond dat geen maatwerk is geleverd, treft geen doel. Met de verstrekte voorziening heeft Rogplus een passende bijdrage geleverd aan de zelfredzaamheid, zoals bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond dat de Verordening in strijd is met de Wmo (lees: Wmo 2015) evenmin.
Het hoger beroep
3. Namens betrokkene is aangevoerd dat Rogplus bij de verhuiskostenvergoeding geen maatwerk heeft geleverd omdat de verstrekte vergoeding niet toereikend is. Ook bij de gevraagde scootmobiel is geen maatwerk geleverd.
Beoordeling
De scootmobiel (22/427)
4.1.
Na het overlijden van betrokkene heeft appellant de Raad desgevraagd bericht dat geen procesbelang meer bestaat bij een oordeel over de maatwerkvoorziening voor een scootmobiel.
4.2.
Hieruit volgt dat het hoger beroep in de zaak met kenmerk 22/427 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De verhuiskostenvergoeding (22/428)
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep volstaan met het herhalen van de stelling dat met de verstrekte verhuiskostenvergoeding geen maatwerk is geleverd, omdat de tegemoetkoming niet toereikend is. Hij heeft geen nieuwe gronden naar voren gebracht en/of gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Hij heeft ook geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot het oordeel dat Rogplus met de verstrekte verhuiskostenvergoeding een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid van betrokkene heeft geleverd, zoals bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015.
Conclusie
4.4.
Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
verklaart in de zaak met nummer 22/427 over de scootmobiel het hoger beroep nietontvankelijk;
bevestigt in de zaak met nummer 22/428 over de verhuiskostenvergoeding de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond heeft verklaard.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) P. Boer