Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-31
ECLI:NL:CRVB:2023:1080
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,308 tokens
Inleiding
22 545 WMO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2022, 20/5984 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het gemeenschappelijk orgaan ROGplus Nieuwe Waterweg Noord (ROGplus)
Datum uitspraak: 31 mei 2023
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld.
ROGplus heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2023. Appellante is niet verschenen. ROGplus heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Jong en mr. N. Doran.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1943, is bekend met lichamelijke aandoeningen die haar
belemmeren bij het verrichten van huishoudelijke taken. In verband daarmee heeft ROGplus appellante laatstelijk over de periode van 4 april 2018 tot en met 3 april 2022 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.2.
Bij besluit van 19 juni 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2020 (bestreden besluit), heeft ROGplus de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb met inachtneming van een overgangstermijn met ingang van 1 september 2020 beëindigd en appellante vanaf die datum in aanmerking gebracht voor de algemene voorziening schoon huis met een maximale omvang van 105 uur per kalenderjaar, te verlenen door een gecontracteerde zorgaanbieder.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat de beperkingen van appellante bij het voeren van een huishouden kunnen worden gecompenseerd door gebruikmaking van de algemene voorziening. De enkele wens van appellante om een zelf gekozen hulpaanbieder te kunnen inschakelen is onvoldoende om de algemene voorziening als niet passend aan te merken. Een keuzemogelijkheid tussen zorg in natura en een pgb is niet aan de orde bij een algemene voorziening.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en herhaald dat zij zich niet kan verenigen met het feit dat zij niet zelf een hulpaanbieder kan kiezen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft in grote lijnen de overwegingen van de rechtbank die hieraan ten grondslag liggen en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
4.2.
In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat, indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten (…) die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Deze vrijheid om te kiezen voor een pgb en in het verlengde daarvan voor een zorgverlener naar eigen keuze is niet aan de orde bij een algemene voorziening, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.
4.3.
Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en D. Hardonk-Prins en L.Z. Achouak el Idrissi als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt
Inleiding
22 545 WMO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 januari 2022, 20/5984 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het gemeenschappelijk orgaan ROGplus Nieuwe Waterweg Noord (ROGplus)
Datum uitspraak: 31 mei 2023
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld.
ROGplus heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2023. Appellante is niet verschenen. ROGplus heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Jong en mr. N. Doran.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1943, is bekend met lichamelijke aandoeningen die haar
belemmeren bij het verrichten van huishoudelijke taken. In verband daarmee heeft ROGplus appellante laatstelijk over de periode van 4 april 2018 tot en met 3 april 2022 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.2.
Bij besluit van 19 juni 2020, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2020 (bestreden besluit), heeft ROGplus de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb met inachtneming van een overgangstermijn met ingang van 1 september 2020 beëindigd en appellante vanaf die datum in aanmerking gebracht voor de algemene voorziening schoon huis met een maximale omvang van 105 uur per kalenderjaar, te verlenen door een gecontracteerde zorgaanbieder.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – samengevat – overwogen dat de beperkingen van appellante bij het voeren van een huishouden kunnen worden gecompenseerd door gebruikmaking van de algemene voorziening. De enkele wens van appellante om een zelf gekozen hulpaanbieder te kunnen inschakelen is onvoldoende om de algemene voorziening als niet passend aan te merken. Een keuzemogelijkheid tussen zorg in natura en een pgb is niet aan de orde bij een algemene voorziening.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en herhaald dat zij zich niet kan verenigen met het feit dat zij niet zelf een hulpaanbieder kan kiezen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft in grote lijnen de overwegingen van de rechtbank die hieraan ten grondslag liggen en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
4.2.
In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat, indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten (…) die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Deze vrijheid om te kiezen voor een pgb en in het verlengde daarvan voor een zorgverlener naar eigen keuze is niet aan de orde bij een algemene voorziening, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.
4.3.
Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en D. Hardonk-Prins en L.Z. Achouak el Idrissi als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt