Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-30
ECLI:NL:CRVB:2023:1078
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,852 tokens
Inleiding
211009 JW
Datum uitspraak: 30 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2021, 20/2936 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2023. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Sprakel. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1.1.
Bij brief van 19 augustus 2019 heeft het college aan appellant medegedeeld dat sinds 2015 een individuele voorziening voor jeugdhulp aan hem is verstrekt op grond van de Jeugdwet voor drie uur per week, eerst in de vorm van een persoonsgebonden budget en met ingang van april 2015 op verzoek van appellant in de vorm van zorg in natura. Het college heeft verder medegedeeld welke zorgaanbieders sinds 2015 waren betrokken bij het verlenen van de hulp. Tegen deze brief heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 27 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de brief van 19 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 19 augustus 2019 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Anders dan het college heeft betoogd, heeft appellant procesbelang bij de beoordeling van zijn hoger beroep. Appellant heeft in de bezwaarprocedure verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar en dit verzoek is in het bestreden besluit afgewezen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3422) blijft procesbelang dan behouden.
4.2.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 19 augustus 2019 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het in de brief gestelde zijn feitelijke mededelingen die niet op rechtsgevolg zijn gericht. De brief bevat enkel een opsomming hoe het jeugdhulpverleningstraject van appellant sinds 2015 is verlopen. Er is geen sprake van een nieuwe verstrekking van een voorziening voor jeugdhulp of een wijziging van de voorziening die in 2015 is afgegeven.
4.3.
Uit wat is overwogen in 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en A. van Gijzen en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2023.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) R. van Doorn
Inleiding
211009 JW
Datum uitspraak: 30 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2021, 20/2936 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2023. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Sprakel. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1.1.
Bij brief van 19 augustus 2019 heeft het college aan appellant medegedeeld dat sinds 2015 een individuele voorziening voor jeugdhulp aan hem is verstrekt op grond van de Jeugdwet voor drie uur per week, eerst in de vorm van een persoonsgebonden budget en met ingang van april 2015 op verzoek van appellant in de vorm van zorg in natura. Het college heeft verder medegedeeld welke zorgaanbieders sinds 2015 waren betrokken bij het verlenen van de hulp. Tegen deze brief heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 27 februari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de brief van 19 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 19 augustus 2019 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Anders dan het college heeft betoogd, heeft appellant procesbelang bij de beoordeling van zijn hoger beroep. Appellant heeft in de bezwaarprocedure verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar en dit verzoek is in het bestreden besluit afgewezen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 9 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3422) blijft procesbelang dan behouden.
4.2.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 19 augustus 2019 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het in de brief gestelde zijn feitelijke mededelingen die niet op rechtsgevolg zijn gericht. De brief bevat enkel een opsomming hoe het jeugdhulpverleningstraject van appellant sinds 2015 is verlopen. Er is geen sprake van een nieuwe verstrekking van een voorziening voor jeugdhulp of een wijziging van de voorziening die in 2015 is afgegeven.
4.3.
Uit wat is overwogen in 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en A. van Gijzen en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2023.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) R. van Doorn