Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-06-07
ECLI:NL:CRVB:2023:1058
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,320 tokens
Inleiding
22 1450 ZW
Datum uitspraak: 7 juni 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 april 2022, 21/238 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. Ü. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G. Grujic. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W. de Rooy-Bal.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als grondwerker voor gemiddeld 35,71 uur per week. Op 21 december 2018 heeft hij zich ziekgemeld met schouderklachten links. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 21 februari 2019 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 december 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 85,17% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 30 december 2019 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 31 januari 2020 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 oktober 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 5 oktober 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet met medische gegevens heeft onderbouwd dat hij meer beperkt is dan aangenomen. Appellant heeft in beroep
geen medische informatie in het geding gebracht op grond waarvan twijfel kan ontstaan aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen. Een klacht kan pas worden
meegenomen indien zij kan worden vertaald in een beperking die (voldoende) steun vindt
in objectieve medische gegevens. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen medische aanwijzingen zijn die het aannemen van meer of zwaardere beperkingen zouden kunnen rechtvaardigen. In een ZW-beoordeling is het aan een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) om een oordeel te vellen over de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft toegelicht dat appellant in bezwaar geen arbeidskundige gronden heeft aangevoerd. Gelet daarop was het Uwv niet genoodzaakt om een arbeidskundig onderzoek te laten verrichten. Het Uwv heeft op zitting toegelicht dat naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een onderzoek heeft verricht, resulterend in het rapport van 9 februari 2022. De grond dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht, slaagt niet. Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies. Het Uwv heeft de ZW-uitkering terecht per 31 januari 2020 beëindigd.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd. Appellant verwijst naar recente medische stukken. Hieruit blijkt volgens hem dat hij een complexe medische geschiedenis heeft. Hij gebruikt dagelijks zware pijnstilling en de injecties mochten niet baten. Appellant benadrukt dat zijn klachten juist zijn toegenomen en dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. Hij heeft chronische schouderklachten en hij wordt door de pijn in zijn kracht beperkt. Daarnaast heeft hij last van zijn nek, rug en benen. De geduide functies zijn ongeschikt. In de geduide functies moet appellant veel bewegen en is veel kracht in de armen nodig. Appellant is hiertoe niet in staat.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is of het Uwv terecht met ingang van 31 januari 2020 de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de vaststelling van zijn belastbaarheid vormt in essentie een herhaling van de gronden die in beroep zijn ingebracht. De rechtbank heeft die gronden in overweging 7.3 besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 oktober 2020 op basis van de beschikbare medische informatie en eigen onderzoek, inzichtelijk gemotiveerd dat appellant onveranderd beperkingen heeft aan zijn linkerschouder en dat hiervoor passende beperkingen zijn opgenomen in de FML van 11 december 2019. Wat appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie van de orthopedisch chirurg van 5 oktober 2020, de neuroloog van 30 oktober 2020 en de radioloog van 29 juni 2021 over zijn rugklachten zijn van ruim na de datum in geding van 31 januari 2020 en bieden geen aanknopingspunten om appellant op die datum méér beperkt te achten dan is vastgesteld.
4.5.
Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt ook het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep alle signaleringen in het rapport van 9 februari 2022 inzichtelijk heeft gemotiveerd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2023.
(getekend) C. Karman
De griffier is verhinderd te tekenen
Inleiding
22 1450 ZW
Datum uitspraak: 7 juni 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 april 2022, 21/238 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. Ü. Arslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G. Grujic. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W. de Rooy-Bal.
Overwegingen
1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als grondwerker voor gemiddeld 35,71 uur per week. Op 21 december 2018 heeft hij zich ziekgemeld met schouderklachten links. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 21 februari 2019 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 december 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 85,17% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 30 december 2019 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 31 januari 2020 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 oktober 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 5 oktober 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet met medische gegevens heeft onderbouwd dat hij meer beperkt is dan aangenomen. Appellant heeft in beroep
geen medische informatie in het geding gebracht op grond waarvan twijfel kan ontstaan aan de bevindingen en conclusies van de verzekeringsartsen. Een klacht kan pas worden
meegenomen indien zij kan worden vertaald in een beperking die (voldoende) steun vindt
in objectieve medische gegevens. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen medische aanwijzingen zijn die het aannemen van meer of zwaardere beperkingen zouden kunnen rechtvaardigen. In een ZW-beoordeling is het aan een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) om een oordeel te vellen over de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft toegelicht dat appellant in bezwaar geen arbeidskundige gronden heeft aangevoerd. Gelet daarop was het Uwv niet genoodzaakt om een arbeidskundig onderzoek te laten verrichten. Het Uwv heeft op zitting toegelicht dat naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een onderzoek heeft verricht, resulterend in het rapport van 9 februari 2022. De grond dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht, slaagt niet. Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide functies. Het Uwv heeft de ZW-uitkering terecht per 31 januari 2020 beëindigd.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd. Appellant verwijst naar recente medische stukken. Hieruit blijkt volgens hem dat hij een complexe medische geschiedenis heeft. Hij gebruikt dagelijks zware pijnstilling en de injecties mochten niet baten. Appellant benadrukt dat zijn klachten juist zijn toegenomen en dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. Hij heeft chronische schouderklachten en hij wordt door de pijn in zijn kracht beperkt. Daarnaast heeft hij last van zijn nek, rug en benen. De geduide functies zijn ongeschikt. In de geduide functies moet appellant veel bewegen en is veel kracht in de armen nodig. Appellant is hiertoe niet in staat.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
In geschil is of het Uwv terecht met ingang van 31 januari 2020 de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de vaststelling van zijn belastbaarheid vormt in essentie een herhaling van de gronden die in beroep zijn ingebracht. De rechtbank heeft die gronden in overweging 7.3 besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 oktober 2020 op basis van de beschikbare medische informatie en eigen onderzoek, inzichtelijk gemotiveerd dat appellant onveranderd beperkingen heeft aan zijn linkerschouder en dat hiervoor passende beperkingen zijn opgenomen in de FML van 11 december 2019. Wat appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie van de orthopedisch chirurg van 5 oktober 2020, de neuroloog van 30 oktober 2020 en de radioloog van 29 juni 2021 over zijn rugklachten zijn van ruim na de datum in geding van 31 januari 2020 en bieden geen aanknopingspunten om appellant op die datum méér beperkt te achten dan is vastgesteld.
4.5.
Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt ook het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies voor appellant geschikt zijn onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep alle signaleringen in het rapport van 9 februari 2022 inzichtelijk heeft gemotiveerd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. Karman, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2023.
(getekend) C. Karman
De griffier is verhinderd te tekenen