Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-25
ECLI:NL:CRVB:2023:1040
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,710 tokens
Inleiding
222637 WIA
Datum uitspraak: 25 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juli 2022, 21/3977 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.
Overwegingen
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als taxichauffeur voor 38,59 uur per week. Hij heeft zich, terwijl hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, op 11 mei 2011 ziek gemeld met lichamelijke klachten. Appellant heeft tot en met 7 mei 2013 een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Op 16 januari 2013 heeft het Uwv appellant erop gewezen dat hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanvragen. Appellant heeft van maart 2013 tot eind juni 2015 als zelfstandige gewerkt. Op 28 april 2020 heeft appellant een formulier ‘Aanvraag WIA-uitkering’ ingediend, waarin hij als eerste ziektedag 11 mei 2013 heeft vermeld.
1.2.
Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant op het spreekuur gezien en hem per 6 mei 2013 belastbaar geacht volgens een op 30 oktober 2020 opgestelde Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 0%. Bij besluit van 22 december 2020 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant met ingang van 7 mei 2013 een WIA-uitkering toe te kennen.
1.3.
Appellant heeft tegen het besluit van 22 december 2020 bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat hij zich kan vinden in de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet actueel zijn op datum in geding 7 mei 2013. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geraadpleegd en de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 mei 2013 vastgesteld op 0%. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 20 juli 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat appellant per 7 mei 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de medische conclusies te twijfelen. De rechtbank heeft overwogen dat bij de nieuwe beoordeling geen rol heeft gespeeld dat appellant de CPAD niet gebruikt. Omdat appellant het standpunt dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen met betrekking tot de ernstige slaapapneu niet met medische informatie heeft onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien aan de medische conclusies te twijfelen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 30 oktober 2020 heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat appellant op 7 mei 2013 de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat ten aanzien van de functies productiemedewerker metaal en elektro-industrie en assemblage medewerker metaalwaren in het resultaat functiebeoordeling is gemotiveerd dat het werk voorspelbaar, eenvoudig en overzichtelijk is, het werk op routinematige basis verzet kan worden, en voor respectievelijk 95% en 80% van het werk uit dezelfde activiteiten bestaat. Daarom is er geen sprake van een beperking op het vasthouden en verdelen van de aandacht. De rechtbank heeft ook overwogen dat de verzekeringsarts heeft aangegeven dat appellant in tillen niet beperkt is, maar wel beperkt is in frequent zware lasten hanteren. Dat maximaal gewicht en frequent tillen twee verschillende aspecten zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk.
3. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat het Uwv onvoldoende beperkingen heeft aangenomen vanwege de bij hem vastgestelde ernstige obstructieve slaapapneu. Hierbij heeft het gegeven dat appellant geen gebruik meer maakt van de CPAD ten onrechte een rol gespeeld. Appellant meent dat er in ieder geval een urenbeperking had moeten worden aangenomen vanwege een beperking in de energiehuishouding als gevolg van een Obstructief Slaapapneu Syndroom. Appellant heeft erop gewezen dat is vastgesteld dat sprake is van vermoeidheid en overdag in slaap vallen. Dat had ook moeten leiden tot beperkingen op het gebied van verhoogd persoonlijk risico. Volgens appellant zijn de voorbeeldfuncties niet passend omdat de geselecteerde functies de beperkingen op de items vasthouden van de aandacht en verdelen van de aandacht overschrijden. Tevens is aangevoerd dat er in de functie assemblagemedewerker metaalwaren sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van zware lasten hanteren. Appellant begrijpt niet hoe hij in die functie geacht wordt 20 kg te kunnen hanteren terwijl hij volgens de FML niet in staat is 15 kg te hanteren. De functie productiemedewerker machinaal inpakken is volgens appellant niet passend omdat daarbij sprake is van een ervaringseis waaraan appellant niet voldoet.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 7 mei 2013 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
Appellant heeft zijn WIA-aanvraag laat ingediend, namelijk ruim zes jaar na 7 mei 2013. Daarmee is sprake van een zogenoemde laattijdige aanvraag. Volgens vaste rechtspraak moet, als daarvan sprake is, de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico blijven van de degene die (alsnog) de late aanvraag doet (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 4 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1528). Er is geen aanleiding om de bewijslast te verschuiven naar het Uwv of een bewijsvermoeden bij het Uwv neer te leggen.
4.5.
De grond van appellant dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij geen gebruik meer heeft gemaakt van de CPAD, slaagt niet. Zoals ook door de rechtbank is vastgesteld heeft de verzekeringsarts de FML van ongeveer een halfjaar vóór 7 mei 2013 overgenomen omdat deze FML een redelijke goede benadering van de belastbaarheid per einde wachttijd is. De verzekeringsarts heeft daarbij van belang geacht dat destijds geen aanzienlijke verandering in het functioneren van appellant werd verwacht. In het rapport van de verzekeringsarts van 30 oktober 2020 is over de CPAD slechts vermeld dat behandeling met CPAP is geïndiceerd en dat appellant de CPAD op 12 november 2012 sinds 2 tot 3 maanden thuis had en daarmee een slaaponderzoek had gehad. Appellant heeft er met juistheid op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 26 juni 2021 heeft overwogen dat de beperkingen ten aanzien van vasthouden en verdelen van de aandacht dienen te vervallen als appellant om niet medische redenen geen gebruik meer maakt van CPAP. Maar deze beperkingen zijn bij de huidige beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gehandhaafd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2023.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) C.G. van Straalen
Inleiding
222637 WIA
Datum uitspraak: 25 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juli 2022, 21/3977 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.I. Bal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.
Overwegingen
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als taxichauffeur voor 38,59 uur per week. Hij heeft zich, terwijl hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, op 11 mei 2011 ziek gemeld met lichamelijke klachten. Appellant heeft tot en met 7 mei 2013 een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Op 16 januari 2013 heeft het Uwv appellant erop gewezen dat hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanvragen. Appellant heeft van maart 2013 tot eind juni 2015 als zelfstandige gewerkt. Op 28 april 2020 heeft appellant een formulier ‘Aanvraag WIA-uitkering’ ingediend, waarin hij als eerste ziektedag 11 mei 2013 heeft vermeld.
1.2.
Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant op het spreekuur gezien en hem per 6 mei 2013 belastbaar geacht volgens een op 30 oktober 2020 opgestelde Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 0%. Bij besluit van 22 december 2020 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant met ingang van 7 mei 2013 een WIA-uitkering toe te kennen.
1.3.
Appellant heeft tegen het besluit van 22 december 2020 bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat hij zich kan vinden in de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet actueel zijn op datum in geding 7 mei 2013. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geraadpleegd en de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 mei 2013 vastgesteld op 0%. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 20 juli 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat appellant per 7 mei 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de medische conclusies te twijfelen. De rechtbank heeft overwogen dat bij de nieuwe beoordeling geen rol heeft gespeeld dat appellant de CPAD niet gebruikt. Omdat appellant het standpunt dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen met betrekking tot de ernstige slaapapneu niet met medische informatie heeft onderbouwd, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien aan de medische conclusies te twijfelen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 30 oktober 2020 heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat appellant op 7 mei 2013 de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat ten aanzien van de functies productiemedewerker metaal en elektro-industrie en assemblage medewerker metaalwaren in het resultaat functiebeoordeling is gemotiveerd dat het werk voorspelbaar, eenvoudig en overzichtelijk is, het werk op routinematige basis verzet kan worden, en voor respectievelijk 95% en 80% van het werk uit dezelfde activiteiten bestaat. Daarom is er geen sprake van een beperking op het vasthouden en verdelen van de aandacht. De rechtbank heeft ook overwogen dat de verzekeringsarts heeft aangegeven dat appellant in tillen niet beperkt is, maar wel beperkt is in frequent zware lasten hanteren. Dat maximaal gewicht en frequent tillen twee verschillende aspecten zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk.
3. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat het Uwv onvoldoende beperkingen heeft aangenomen vanwege de bij hem vastgestelde ernstige obstructieve slaapapneu. Hierbij heeft het gegeven dat appellant geen gebruik meer maakt van de CPAD ten onrechte een rol gespeeld. Appellant meent dat er in ieder geval een urenbeperking had moeten worden aangenomen vanwege een beperking in de energiehuishouding als gevolg van een Obstructief Slaapapneu Syndroom. Appellant heeft erop gewezen dat is vastgesteld dat sprake is van vermoeidheid en overdag in slaap vallen. Dat had ook moeten leiden tot beperkingen op het gebied van verhoogd persoonlijk risico. Volgens appellant zijn de voorbeeldfuncties niet passend omdat de geselecteerde functies de beperkingen op de items vasthouden van de aandacht en verdelen van de aandacht overschrijden. Tevens is aangevoerd dat er in de functie assemblagemedewerker metaalwaren sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van zware lasten hanteren. Appellant begrijpt niet hoe hij in die functie geacht wordt 20 kg te kunnen hanteren terwijl hij volgens de FML niet in staat is 15 kg te hanteren. De functie productiemedewerker machinaal inpakken is volgens appellant niet passend omdat daarbij sprake is van een ervaringseis waaraan appellant niet voldoet.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 7 mei 2013 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
Appellant heeft zijn WIA-aanvraag laat ingediend, namelijk ruim zes jaar na 7 mei 2013. Daarmee is sprake van een zogenoemde laattijdige aanvraag. Volgens vaste rechtspraak moet, als daarvan sprake is, de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico blijven van de degene die (alsnog) de late aanvraag doet (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 4 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1528). Er is geen aanleiding om de bewijslast te verschuiven naar het Uwv of een bewijsvermoeden bij het Uwv neer te leggen.
4.5.
De grond van appellant dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij geen gebruik meer heeft gemaakt van de CPAD, slaagt niet. Zoals ook door de rechtbank is vastgesteld heeft de verzekeringsarts de FML van ongeveer een halfjaar vóór 7 mei 2013 overgenomen omdat deze FML een redelijke goede benadering van de belastbaarheid per einde wachttijd is. De verzekeringsarts heeft daarbij van belang geacht dat destijds geen aanzienlijke verandering in het functioneren van appellant werd verwacht. In het rapport van de verzekeringsarts van 30 oktober 2020 is over de CPAD slechts vermeld dat behandeling met CPAP is geïndiceerd en dat appellant de CPAD op 12 november 2012 sinds 2 tot 3 maanden thuis had en daarmee een slaaponderzoek had gehad. Appellant heeft er met juistheid op gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 26 juni 2021 heeft overwogen dat de beperkingen ten aanzien van vasthouden en verdelen van de aandacht dienen te vervallen als appellant om niet medische redenen geen gebruik meer maakt van CPAP. Maar deze beperkingen zijn bij de huidige beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gehandhaafd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2023.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) C.G. van Straalen