Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-03-01
ECLI:NL:CRVB:2022:501
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
5,094 tokens
Inleiding
201018 PW
Datum uitspraak: 1 maart 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 29 januari 2020
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Bij uitspraak van 9 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1380 (eerdere uitspraak) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2017 met nummer 17/1814 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 3 februari 2017, zoals gewijzigd bij besluit van 15 maart 2017, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. De Raad heeft het college veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.048,-.
Ter uitvoering van de eerdere uitspraak heeft het college het besluit van 29 januari 2020 (bestreden besluit) genomen.
Namens appellante heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van den Buijs.
Overwegingen
1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de eerdere uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1.
Appellante is gehuwd, maar leeft sinds 2010 duurzaam gescheiden van haar echtgenoot, die haar verlaten heeft en naar het buitenland is vertrokken. Tot 1 januari 2015 ontving zij bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, zijnde 90% van de gehuwdennorm. Met ingang van 1 januari 2015 is de bijstandsnorm voor de alleenstaande ouder verlaagd naar 70% van de gehuwdennorm en is de alleenstaande oudertoeslag van 20% van de gehuwdennorm komen te vervallen. Uit de in de eerdere uitspraak weergegeven besluitvorming blijkt dat het college appellante over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2017 bijzondere bijstand heeft toegekend ter compensatie van het gemis van de door de Belastingdienst te betalen alleenstaande ouderkop (ALO-kop). Appellante heeft het college verzocht haar ook na 31 maart 2017 te compenseren voor het gemis van de ALO-kop, omdat zij met haar kinderen onder het bestaansminimum leeft.
1.2.
In de eerdere uitspraak heeft de Raad overwogen dat de wetgever zich bewust is geweest van het feit dat er alleenstaande ouders zijn die in het kader van de bijstand worden aangemerkt als alleenstaande ouder, maar met ingang van 1 januari 2015 niet in aanmerking komen voor de ALO-kop. Appellante behoort tot deze groep, omdat zij gehuwd is, maar duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Omdat haar echtgenoot in 2010 naar het buitenland is vertrokken en er geen enkel contact meer bestaat tussen appellante en haar kinderen enerzijds en de echtgenoot anderzijds, kan appellante geen beroep doen op een partner die kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Nu appellante per 1 april 2017 is geconfronteerd met de inkomensterugval van 20% van haar bijstandsinkomen, zonder dat zij de mogelijkheden heeft om haar inkomen aan te vullen om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van haar minderjarige kinderen, heeft de Raad geoordeeld dat het bestaansminimum van appellante en haar kinderen vanaf 1 april 2017 niet langer is gewaarborgd. Appellante wordt daarom per die datum geacht te verkeren in een zeer bijzondere situatie waardoor afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet (PW) is geboden. Het college zal daarom in het kader van de afstemming nader onderzoek naar alle relevante omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante moeten doen.
1.3.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college nader onderzoek verricht naar de relevante omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante. In het kader van dit onderzoek heeft het college appellante bij brief van 22 mei 2019 verzocht een aantal gegevens, waaronder bankafschriften over de periode van 1 april 2017 tot en met 22 mei 2019 van alle betaal- en spaarrekeningen van appellante en haar minderjarige kinderen, over te leggen. Bij brief van 31 mei 2019 heeft appellante de gevraagde gegevens overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een (niet gedateerd) rapport.
2. Vervolgens heeft het college, nadat appellante in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren tijdens een hoorzitting nader toe te lichten, het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard en haar op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW met ingang van 1 april 2017 een verhoging van de algemene bijstand toegekend. Het bedrag van deze verhoging is gelijk aan het bedrag van de (niet aan haar betaalde) ALO-kop. Het college heeft voor een verdere afstemming geen aanleiding gezien.
3. In beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het college is op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW gehouden de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand slechts plaats in zeer bijzondere situaties.
4.2.
Het college heeft ter uitvoering van de eerdere uitspraak de financiële situatie van appellante onderzocht over de periode van 1 april 2017, de datum waarop het college aan appellante geen bijzondere bijstand meer heeft verleend voor het gemis aan de ALO-kop, tot aan de datum van het bestreden besluit, 29 januari 2020. Gelet hierop en gehoord partijen hierover, ziet de Raad aanleiding om bij de vraag of het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de eerdere uitspraak, alle relevante omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante in deze periode bij de beoordeling te betrekken.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat zij nog steeds een inkomen onder bijstandsniveau heeft en dat het college om die reden haar bijstand verder had moeten verhogen. Daartoe heeft zij betoogd dat het college de bijstand met ingang van 1 (lees:10) augustus 2018 met € 270,- heeft verlaagd, omdat vanaf dat moment haar onder bewind staande meerderjarige zoon bij haar inwoont. Haar zoon kan echter niet als kostendeler worden aangemerkt, omdat hij in de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen zit. Zij ontvangt weliswaar van de bewindvoerder van haar zoon een compensatie ter hoogte van voornoemd bedrag, maar het college heeft haar niet gecompenseerd voor de extra kosten van haar levensonderhoud.
4.4.
Voorop moet worden gesteld dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk van aard is en – behoudens de uitzonderingssituaties genoemd in de PW – geen ruimte bestaat voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. Anders dan appellante heeft betoogd, behoort de zoon van appellante niet tot de groep personen die op grond van artikel 19a, eerste lid, van de PW niet is aan te merken als kostendelende medebewoner. Verder speelt bij de toepassing van de kostendelersnorm de aard van het inkomen van elk van de kostendelende medebewoners geen rol en is de vraag of de medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten evenmin relevant. Dit maakt echter niet dat geen enkele ruimte bestaat voor individualisering op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW in verband met de toepassing van de kostendelersnorm. Vergelijk de uitspraak van 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2381.
4.5.
In wat appellante heeft aangevoerd, heeft het college geen aanleiding hoeven zien de bijstand van appellante verder af te stemmen. De bewindvoerder heeft met appellante een regeling getroffen waardoor zij feitelijk is gecompenseerd voor het gehele bedrag dat het college door het toepassen van de kostendelersnorm op de bijstand van appellante in mindering heeft gebracht. Dat appellante door de inwoning van haar zoon hogere (energie)kosten had en dat haar zoon zijn leefgeld niet gebruikte om bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van appellante, maar daar onder meer rookwaar voor koopt, maakt niet dat appellante daardoor geacht werd te verkeren in een zeer bijzondere situatie waardoor verder afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW was geboden.
4.6.
Verder heeft appellante aangevoerd dat zij nooit in aanmerking is gekomen voor Zorgtoeslag en dat zij vanaf 1 januari 2014 niet dan wel zeer beperkt in aanmerking kwam voor toekenning van het gezinsgebonden budget, waar andere gezinnen met minderjarige kinderen wel voor in aanmerking komen. Het vanaf 2018 toegekende gezinsgebonden budget wordt ingehouden ter aflossing van schulden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2022.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) Y. Al-Qaq
Inleiding
201018 PW
Datum uitspraak: 1 maart 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 29 januari 2020
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Bij uitspraak van 9 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1380 (eerdere uitspraak) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 september 2017 met nummer 17/1814 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 3 februari 2017, zoals gewijzigd bij besluit van 15 maart 2017, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. De Raad heeft het college veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.048,-.
Ter uitvoering van de eerdere uitspraak heeft het college het besluit van 29 januari 2020 (bestreden besluit) genomen.
Namens appellante heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zundert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van den Buijs.
Overwegingen
1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de eerdere uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1.
Appellante is gehuwd, maar leeft sinds 2010 duurzaam gescheiden van haar echtgenoot, die haar verlaten heeft en naar het buitenland is vertrokken. Tot 1 januari 2015 ontving zij bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, zijnde 90% van de gehuwdennorm. Met ingang van 1 januari 2015 is de bijstandsnorm voor de alleenstaande ouder verlaagd naar 70% van de gehuwdennorm en is de alleenstaande oudertoeslag van 20% van de gehuwdennorm komen te vervallen. Uit de in de eerdere uitspraak weergegeven besluitvorming blijkt dat het college appellante over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2017 bijzondere bijstand heeft toegekend ter compensatie van het gemis van de door de Belastingdienst te betalen alleenstaande ouderkop (ALO-kop). Appellante heeft het college verzocht haar ook na 31 maart 2017 te compenseren voor het gemis van de ALO-kop, omdat zij met haar kinderen onder het bestaansminimum leeft.
1.2.
In de eerdere uitspraak heeft de Raad overwogen dat de wetgever zich bewust is geweest van het feit dat er alleenstaande ouders zijn die in het kader van de bijstand worden aangemerkt als alleenstaande ouder, maar met ingang van 1 januari 2015 niet in aanmerking komen voor de ALO-kop. Appellante behoort tot deze groep, omdat zij gehuwd is, maar duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Omdat haar echtgenoot in 2010 naar het buitenland is vertrokken en er geen enkel contact meer bestaat tussen appellante en haar kinderen enerzijds en de echtgenoot anderzijds, kan appellante geen beroep doen op een partner die kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Nu appellante per 1 april 2017 is geconfronteerd met de inkomensterugval van 20% van haar bijstandsinkomen, zonder dat zij de mogelijkheden heeft om haar inkomen aan te vullen om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van haar minderjarige kinderen, heeft de Raad geoordeeld dat het bestaansminimum van appellante en haar kinderen vanaf 1 april 2017 niet langer is gewaarborgd. Appellante wordt daarom per die datum geacht te verkeren in een zeer bijzondere situatie waardoor afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet (PW) is geboden. Het college zal daarom in het kader van de afstemming nader onderzoek naar alle relevante omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante moeten doen.
1.3.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college nader onderzoek verricht naar de relevante omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante. In het kader van dit onderzoek heeft het college appellante bij brief van 22 mei 2019 verzocht een aantal gegevens, waaronder bankafschriften over de periode van 1 april 2017 tot en met 22 mei 2019 van alle betaal- en spaarrekeningen van appellante en haar minderjarige kinderen, over te leggen. Bij brief van 31 mei 2019 heeft appellante de gevraagde gegevens overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een (niet gedateerd) rapport.
2. Vervolgens heeft het college, nadat appellante in de gelegenheid is gesteld haar bezwaren tijdens een hoorzitting nader toe te lichten, het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft het college het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard en haar op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW met ingang van 1 april 2017 een verhoging van de algemene bijstand toegekend. Het bedrag van deze verhoging is gelijk aan het bedrag van de (niet aan haar betaalde) ALO-kop. Het college heeft voor een verdere afstemming geen aanleiding gezien.
3. In beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het college is op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW gehouden de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492) is voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand slechts plaats in zeer bijzondere situaties.
4.2.
Het college heeft ter uitvoering van de eerdere uitspraak de financiële situatie van appellante onderzocht over de periode van 1 april 2017, de datum waarop het college aan appellante geen bijzondere bijstand meer heeft verleend voor het gemis aan de ALO-kop, tot aan de datum van het bestreden besluit, 29 januari 2020. Gelet hierop en gehoord partijen hierover, ziet de Raad aanleiding om bij de vraag of het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de eerdere uitspraak, alle relevante omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante in deze periode bij de beoordeling te betrekken.
4.3.
Appellante heeft aangevoerd dat zij nog steeds een inkomen onder bijstandsniveau heeft en dat het college om die reden haar bijstand verder had moeten verhogen. Daartoe heeft zij betoogd dat het college de bijstand met ingang van 1 (lees:10) augustus 2018 met € 270,- heeft verlaagd, omdat vanaf dat moment haar onder bewind staande meerderjarige zoon bij haar inwoont. Haar zoon kan echter niet als kostendeler worden aangemerkt, omdat hij in de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen zit. Zij ontvangt weliswaar van de bewindvoerder van haar zoon een compensatie ter hoogte van voornoemd bedrag, maar het college heeft haar niet gecompenseerd voor de extra kosten van haar levensonderhoud.
4.4.
Voorop moet worden gesteld dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk van aard is en – behoudens de uitzonderingssituaties genoemd in de PW – geen ruimte bestaat voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. Anders dan appellante heeft betoogd, behoort de zoon van appellante niet tot de groep personen die op grond van artikel 19a, eerste lid, van de PW niet is aan te merken als kostendelende medebewoner. Verder speelt bij de toepassing van de kostendelersnorm de aard van het inkomen van elk van de kostendelende medebewoners geen rol en is de vraag of de medebewoners de kosten feitelijk delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten evenmin relevant. Dit maakt echter niet dat geen enkele ruimte bestaat voor individualisering op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW in verband met de toepassing van de kostendelersnorm. Vergelijk de uitspraak van 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2381.
4.5.
In wat appellante heeft aangevoerd, heeft het college geen aanleiding hoeven zien de bijstand van appellante verder af te stemmen. De bewindvoerder heeft met appellante een regeling getroffen waardoor zij feitelijk is gecompenseerd voor het gehele bedrag dat het college door het toepassen van de kostendelersnorm op de bijstand van appellante in mindering heeft gebracht. Dat appellante door de inwoning van haar zoon hogere (energie)kosten had en dat haar zoon zijn leefgeld niet gebruikte om bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van appellante, maar daar onder meer rookwaar voor koopt, maakt niet dat appellante daardoor geacht werd te verkeren in een zeer bijzondere situatie waardoor verder afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW was geboden.
4.6.
Verder heeft appellante aangevoerd dat zij nooit in aanmerking is gekomen voor Zorgtoeslag en dat zij vanaf 1 januari 2014 niet dan wel zeer beperkt in aanmerking kwam voor toekenning van het gezinsgebonden budget, waar andere gezinnen met minderjarige kinderen wel voor in aanmerking komen. Het vanaf 2018 toegekende gezinsgebonden budget wordt ingehouden ter aflossing van schulden.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2022.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) Y. Al-Qaq