Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-12-08
ECLI:NL:CRVB:2022:2737
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,898 tokens
Inleiding
214486 AOW
Datum uitspraak: 8 december 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2021, 21/3938 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2022. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.
OVERWEGINGEN
Feiten
1.1.
Appellant is in 2006 gehuwd met [naam echtgenote] (echtgenote). Hij ontvangt vanaf oktober 2011 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde pensioengerechtigde (gehuwdenpensioen). Op 16 januari 2021 heeft appellant de Svb gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een ongehuwdenpensioen. Daarbij heeft hij aangegeven dat de leefsituatie met zijn echtgenote is gewijzigd. In maart 2021 heeft de Svb een onderzoek gedaan naar de vraag of aan appellant een ongehuwdenpensioen zou moeten worden toegekend, omdat hij duurzaam gescheiden zou leven van zijn echtgenote.
Besluitvorming Svb
1.2.
De Svb heeft in een besluit van 23 april 2021 appellant bericht dat zijn ouderdomspensioen ongewijzigd wordt voortgezet naar dat van een gehuwde pensioengerechtigde, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2021 heeft de Svb ongegrond verklaard in een besluit van 22 juni 2021 (bestreden besluit).
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank vindt dat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven tussen appellant en zijn echtgenote.
Wat hebben partijen aangevoerd?
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leeft. Zij wonen niet samen en ondernemen geen gezamenlijke activiteiten. Wel hebben zij een gezamenlijk vakantiehuisje in Frankrijk. Aangezien het Franse recht geen andere overeenkomst kent dan het huwelijk, waren appellant en zijn echtgenote genoodzaakt om te huwen om geen kapitaalverlies van hun woning te hebben bij een mogelijk vooroverlijden. Appellant beschouwt dit als een zakelijke regeling, net als het opgemaakte testament.
3.2.
De Svb heeft gevraagd om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
Oordeel van de Raad
4. In geschil is of appellant vanaf 16 januari 2021, de datum van zijn verzoek, als duurzaam gescheiden levend moet worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.
Wettelijk kader
4.1.1.
Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.1.2.
Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b) ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c) ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen (uitspraak van de Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932). Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken (uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093).
4.1.3.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. De nog bestaande mate van financiële verstrengeling tussen appellant en zijn echtgenote staat aan duurzaam gescheiden leven in de weg. Appellant en zijn echtgenote zijn beiden eigenaar van een vakantiehuisje in Frankrijk. Zij hebben de bouw van de woning gezamenlijk gefinancierd en zien de woning als een beleggingsobject voor een aanvullend pensioen. De woning wordt door hen beiden onderhouden. Appellant en zijn echtgenote maken één keer per jaar samen met vrienden de woning gebruiksklaar en reizen daarvoor soms samen. Appellant en zijn echtgenote blijven gehuwd zodat de langstlevende de woning zal erven. Bij een eventuele echtscheiding zal volgens appellant op grond van het Franse recht niet langer een algehele vrijstelling voor de successierechten gelden en zal de woning verkocht moeten worden. Dat willen zij niet. Verder is van belang dat voor de inkomsten van de verhuur van die woning en de uitgaven een Franse bankrekening wordt gebruikt, die op naam van appellant staat. De echtgenote is ook gemachtigd tot die rekening, omdat zij beide betalingen doen voor die woning. Verder zijn zij beiden vernoemd in elkaars testament. Deze omstandigheden tezamen wijzen op zichzelf al voldoende op een zekere mate van zorg voor elkaar. Tot slot hebben appellant en zijn echtgenote nog sporadisch contact met elkaar bij het om de drie weken afgeven van de honden van zijn echtgenote op elkaars adres en heeft de echtgenote in dat verband een sleutel van de woning van de appellant. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin ieder van hen afzonderlijk een eigen leven leidt alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd. Daaraan doet niet af dat appellant en zijn echtgenote verder geen activiteiten ondernemen samen.
4.1.4.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) S.N. de Groot
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.
Inleiding
214486 AOW
Datum uitspraak: 8 december 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 november 2021, 21/3938 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2022. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.
OVERWEGINGEN
Feiten
1.1.
Appellant is in 2006 gehuwd met [naam echtgenote] (echtgenote). Hij ontvangt vanaf oktober 2011 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een gehuwde pensioengerechtigde (gehuwdenpensioen). Op 16 januari 2021 heeft appellant de Svb gevraagd hem in aanmerking te brengen voor een ongehuwdenpensioen. Daarbij heeft hij aangegeven dat de leefsituatie met zijn echtgenote is gewijzigd. In maart 2021 heeft de Svb een onderzoek gedaan naar de vraag of aan appellant een ongehuwdenpensioen zou moeten worden toegekend, omdat hij duurzaam gescheiden zou leven van zijn echtgenote.
Besluitvorming Svb
1.2.
De Svb heeft in een besluit van 23 april 2021 appellant bericht dat zijn ouderdomspensioen ongewijzigd wordt voortgezet naar dat van een gehuwde pensioengerechtigde, omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2021 heeft de Svb ongegrond verklaard in een besluit van 22 juni 2021 (bestreden besluit).
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank vindt dat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven tussen appellant en zijn echtgenote.
Wat hebben partijen aangevoerd?
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leeft. Zij wonen niet samen en ondernemen geen gezamenlijke activiteiten. Wel hebben zij een gezamenlijk vakantiehuisje in Frankrijk. Aangezien het Franse recht geen andere overeenkomst kent dan het huwelijk, waren appellant en zijn echtgenote genoodzaakt om te huwen om geen kapitaalverlies van hun woning te hebben bij een mogelijk vooroverlijden. Appellant beschouwt dit als een zakelijke regeling, net als het opgemaakte testament.
3.2.
De Svb heeft gevraagd om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
Oordeel van de Raad
4. In geschil is of appellant vanaf 16 januari 2021, de datum van zijn verzoek, als duurzaam gescheiden levend moet worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.
Wettelijk kader
4.1.1.
Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW wordt voor de toepassing van de AOW als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
4.1.2.
Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Raad het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b) ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c) ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen (uitspraak van de Raad van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9932). Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken (uitspraken van de Raad van 2 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1277 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1093).
4.1.3.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. De nog bestaande mate van financiële verstrengeling tussen appellant en zijn echtgenote staat aan duurzaam gescheiden leven in de weg. Appellant en zijn echtgenote zijn beiden eigenaar van een vakantiehuisje in Frankrijk. Zij hebben de bouw van de woning gezamenlijk gefinancierd en zien de woning als een beleggingsobject voor een aanvullend pensioen. De woning wordt door hen beiden onderhouden. Appellant en zijn echtgenote maken één keer per jaar samen met vrienden de woning gebruiksklaar en reizen daarvoor soms samen. Appellant en zijn echtgenote blijven gehuwd zodat de langstlevende de woning zal erven. Bij een eventuele echtscheiding zal volgens appellant op grond van het Franse recht niet langer een algehele vrijstelling voor de successierechten gelden en zal de woning verkocht moeten worden. Dat willen zij niet. Verder is van belang dat voor de inkomsten van de verhuur van die woning en de uitgaven een Franse bankrekening wordt gebruikt, die op naam van appellant staat. De echtgenote is ook gemachtigd tot die rekening, omdat zij beide betalingen doen voor die woning. Verder zijn zij beiden vernoemd in elkaars testament. Deze omstandigheden tezamen wijzen op zichzelf al voldoende op een zekere mate van zorg voor elkaar. Tot slot hebben appellant en zijn echtgenote nog sporadisch contact met elkaar bij het om de drie weken afgeven van de honden van zijn echtgenote op elkaars adres en heeft de echtgenote in dat verband een sleutel van de woning van de appellant. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin ieder van hen afzonderlijk een eigen leven leidt alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd. Daaraan doet niet af dat appellant en zijn echtgenote verder geen activiteiten ondernemen samen.
4.1.4.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) S.N. de Groot
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.